zaterdag 21 oktober 2017

"We have chosen ... a love beyond all"



"We do not engage in works outside our monastery,

For we have chosen to live 
in silence and concentration 
At the hidden springs, the deepest level 

Where the struggle is enacted 
between the powers of good and evil. 
Where our union with Christ 
bears fruit for all mankind … 

We have chosen a stillness more powerful than all activity. 
A detachment more fulfilling than all possession, 
A wisdom exceeding all knowledge 
And a love beyond all".

Rumer Godden Preface "In this House of Brede"

Benedictus XVI over H. Hiëronymus "het Woord van God in de Heilige Schrift leren lief te hebben"

Uit een toespraak van Benedictus XVI tijdens de algemene audiënties over de Kerkvaders in 2007

"Het woord van God in de H. Schrift leren liefhebben"

(…) Na de dood van paus Damasus, verliet Hiëronymus Rome in 385 en ondernam een pelgrimstocht, eerst naar het Heilig Land, de stilzwijgende getuige van het aardse leven van Christus, en vervolgens naar Egypte, het voorkeursland van veel monniken (vgl. Contra Rufinum 3,22; Ep. 108,6-14). In 386 verbleef hij in Bethlehem waar door de vrijgevigheid van de Romeinse adellijke Paula een klooster voor mannen, een voor vrouwen en een gasthuis voor de pelgrims naar het heilige Land werden opgericht, “vanuit de gedachte dat Jozef en Maria geen plaats in de herberg gevonden hadden” (Ep. 108, 14).
Hij bleef in Bethlehem tot aan zijn dood en ontplooide daar een geweldige activiteit: hij schreef commentaren bij het Woord van God, verdedigde het geloof door zich krachtig te verzetten tegen diverse ketterijen, spoorde de monniken aan tot volmaaktheid, onderrichtte de klassieke en christelijke cultuur aan jonge leerlingen, en ontving met het hart van een herder de pelgrims die het Heilig Land bezochten. Hij stierf in zijn cel, dicht bij de Geboortegrot, op 30 september 419/420.

Zijn literaire voorbereiding en zijn brede eruditie maakten Hiëronymus de herziening en vertaling mogelijk van veel bijbelse teksten: een kostbaar werk voor de Latijnse Kerk en voor de westerse cultuur. Op basis van de oorspronkelijke teksten in het Grieks en in het Hebreeuws en dankzij de vergelijking met eerdere vertalingen, verwezenlijkte hij de herziening van de vier Evangelies in de Latijnse taal, vervolgens van het Psalmenboek en van een groot deel van het Oude Testament. Rekening houdend met de oorspronkelijke Hebreeuwse en Griekse tekst, met de Septuagint, de klassieke Griekse vertaling van het Oude Testament die teruggaat op de voorchristelijke tijd, en met eerdere Latijnse vertalingen, kon Hiëronymus, bijgestaan door andere medewerkers, een betere vertaling leveren: deze vormt de zogenaamde  “Vulgaat” , de “officiële” tekst van de Latijnse Kerk, die als zodanig erkend is op het Concilie van Trente, en die, na de recente herziening de “officiële” tekst van de Latijnstalige Kerk blijft.
Wat kunnen wij van onze kant leren van Hiëronymus? Mij lijkt vooral dit: het Woord van God in de Heilige Schrift liefhebben. Hiëronymus zegt: “De Schriften niet kennen, is Christus niet kennen”, daarom is het belangrijk dat iedere christen in contact en in persoonlijk gesprek leeft met het Woord van God, dat ons in de H. Schrift is gegeven.
Dit gesprek van ons met de Schrift moet altijd twee dimensies hebben: van de ene kant moet het een werkelijk persoonlijk gesprek zijn, want God spreekt met ieder van ons door de H. Schrift en heeft voor ieder een boodschap. Wij moeten de Schrift niet lezen als een Woord uit het verleden, maar als het Woord van God die zich ook tot ons richt en wij moeten trachten te begrijpen wat de Heer ons wil zeggen. Maar om niet tot individualisme te hervallen, moeten wij voor ogen houden dat het Woord van God ons juist geschonken is om gemeenschap op te bouwen, om ons in de waarheid te verenigen  op onze weg naar God. Hoewel het dus altijd een persoonlijk Woord is, is het ook een Woord dat gemeenschap opbouwt, dat de Kerk opbouwt. Daarom moeten wij het lezen in gemeenschap met de levende Kerk.

Een bevoorrechte plaats voor het lezen en beluisteren van het Woord van God is de liturgie. Doordat we daarin het Woord vieren en het Lichaam van Christus sacramenteel tegenwoordig stellen, actualiseren we het Woord in ons leven en maken we dat het onder ons aanwezig is. Nooit mogen we vergeten dat het Woord van God de tijden overstijgt. De menselijke opvattingen komen en gaan. Wat vandaag de dag allermodernst is, zal morgen het alleroudst zijn. Het Woord van God is daarentegen Woord van eeuwig leven, draagt de eeuwigheid in zich wat voor altijd geldt. Door het Woord van God in ons te dragen, dragen wij in ons het eeuwige, het eeuwig leven.

En zo sluit ik af met een woord van de heilige Hiëronymus aan de heilige Paulinus van Nola. Daarin drukt de grote exegeet juist deze werkelijkheid uit, dat wij namelijk in het Woord van God de eeuwigheid, het eeuwig leven ontvangen. De heilige Hiëronymus zegt: “Laten we trachten op aarde die waarheden te leren waarvan de geldigheid ook in de hemel voortduurt” (Ep. 53,10).

Ego clamavi Introitus Dominica XIX per annum

Lezingen H. Mis 29e zondag door het jaar A

Eerste lezing (Jes. 45,1.4-6)
Uit de profeet Jesaja.
Zo spreekt de Heer
tot Cyrus, zijn gezalfde,
die Hij bij zijn rechterhand heeft genomen
om de volkeren voor hem neer te werpen,
om koningen de gordels van de lenden te trekken,
om deuren voor hem open te stoten
en geen poort gesloten te laten:
“Het was omwille van mijn dienaar Jakob
en om Israël, mijn uitverkorene,
dat Ik u bij uw naam heb geroepen
en u een eretitel heb gegeven,
alhoewel gij Mij niet kende.
Ik ben de Heer, en niemand anders!
Buiten Mij is er geen God.
Ik heb u omgord zonder dat gij Mij kende,
zodat allen het nu kunnen weten,
die van het oosten en die van het westen:
Ik ben de Heer, en niemand anders!”

Tweede lezing (1 Tess. 1,1-5b)
Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Tessalonica.
Van Paulus, Silvánus en Timóteüs
aan de christengemeente van Tessalonica,
die is in God de Vader en de Heer Jezus Christus.
Genade voor u en vrede!
Wij zeggen God dank voor u allen,
telkens wanneer wij uw naam noemen in onze gebeden.
Onophoudelijk gedenken wij
voor het aanschijn van God, onze Vader,
uw werkdadig geloof, uw onvermoeibare liefde
en uw standvastige hoop op onze Heer Jezus Christus.
Wij weten, broeders en zusters, dat God u liefheeft
en dat gij door Hem zijt uitverkoren,
want wij hebben u het evangelie verkondigd,
niet alleen met woorden,
maar met kracht en heilige Geest en volle overtuiging.

Evangelie (Mt. 22,15-21)
In die tijd gingen de Farizeeën onder elkaar beraadslagen
hoe ze Jezus in zijn eigen woorden konden vangen.
Zij stuurden hun leerlingen met de Herodianen op Hem af met de vraag:
“Meester, wij weten dat Gij oprecht zijt
en de weg van God in oprechtheid leert;
Gij stoort U aan niemand,
want Gij ziet de mensen niet naar de ogen.
Zeg ons daarom:
Wat dunkt U, is het geoorloofd
belasting te betalen aan de keizer of niet?”
Maar Jezus doorzag hun valsheid en zei:
“Waarom probeert gij Mij te vangen, gij huichelaars?
Laat Mij de belastingmunt eens zien.”
 Zij hielden Hem een geldstuk voor.
Hij vroeg hun:
“Van wie is deze beeldenaar en het opschrift?”
Zij antwoordden:
“Van de keizer.”
Daarop sprak Hij tot hen:
“Geeft dan aan de keizer wat de keizer toekomt,
en aan God wat God toekomt.”

Lezingenofficie 29e zondag door het jaar Liturgia Horarum

Lezingen van het Lezingenofficie



Augustinus leest Paulus, fresco van Benozzo Gozzoli (1420-1497)

Eerste lezing

Uit het begin van het boek Esther 1,1-3.9-13.15-16.19;2,5-10.16-17

Verwerping van Wasthi en uitverkiezing van Esther

Het was in de tijd van Ahasveros, de Ahasveros die regeerde over een rijk dat zich uitstrekte van India tot Nubië en dat honderdzevenentwintig provincies telde. In het derde jaar van zijn regering, toen hij in de burcht van Susa zetelde, richtte deze koning Ahasveros een feestmaal aan voor al zijn rijksgroten en hoge functionarissen; alle bevelhebbers van het leger van Perzië en Medië, de adel en de hoofden van de provincies waren aanwezig. Ook Wasti, de koningin, richtte een feestmaal aan, voor de vrouwen in het paleis van koning Ahasveros. Op de zevende dag, toen de koning door de wijn in een vrolijke stemming was, beval hij Mehuman, Bizzeta, Charbona, Bigta, Abagta, Zetar en Karkas – de zeven eunuchen die zijn persoonlijke dienaren waren – om koningin Wasti, getooid met het koninklijke diadeem, bij hem te brengen; hij wilde de rijksgroten van de volken haar schoonheid laten zien, want zij was mooi. Maar toen haar het bevel van de koning door de eunuchen werd overgebracht, weigerde koningin Wasti te komen. Dit ergerde de koning zeer en hij ontstak in woede. Hij wendde zich tot de wijzen, die kennis bezaten van het verleden. De koning was namelijk gewoon zijn zaken voor te leggen aan al zijn wet- en rechtsgeleerden. ‘Wat zegt de wet?’ vroeg de koning. ‘Wat moet er gebeuren met koningin Wasti, nu ze geen gehoor heeft gegeven aan het koninklijk bevel dat haar door de eunuchen is overgebracht?’ Daarop verklaarde Memuchan ten overstaan van de koning en de rijksgroten: ‘Niet alleen tegenover de koning heeft koningin Wasti zich misdragen, maar ook tegenover alle rijksgroten en alle volken in de provincies van koning Ahasveros.
Als het de koning goeddunkt, laat hij dan een koninklijk besluit uitvaardigen dat schriftelijk in de wetten van Perzië en Medië wordt vastgelegd, zodat het niet kan worden herroepen. Hierin moet bepaald worden dat Wasti koning Ahasveros niet meer onder ogen mag komen en dat de koning haar koninklijke waardigheid aan een ander zal geven, die beter is dan zij. Nu woonde er in de burcht van Susa een zekere Mordechai, een Jood. Hij was een zoon van Jaïr, de zoon van Simi, de zoon van Kis, uit de stam Benjamin. Hij was een van de mensen die samen met Jechonja, de koning van Juda, door koning Nebukadnessar van Babylonië als ballingen uit Jeruzalem waren weggevoerd. Deze Mordechai was de pleegvader van Hadassa, ook Ester genoemd, die een nicht van hem was en geen vader of moeder meer had. Na de dood van haar ouders had Mordechai haar als dochter aangenomen. Het meisje was lieftallig en mooi. Toen nu het besluit van de koning in een verordening bekend was gemaakt en er veel meisjes bij elkaar werden gebracht in de burcht van Susa, waar ze onder toezicht van Hegai kwamen te staan, werd ook Ester naar het koninklijk paleis overgebracht en onder toezicht van deze haremwachter gesteld. Het meisje stond hem aan en won zijn genegenheid. Daarom liet hij haar zonder uitstel de schoonheidsbehandeling en het voorgeschreven voedsel geven en stelde hij zeven voortreffelijke dienaressen uit het koninklijk paleis tot haar beschikking. Bovendien bracht hij haar samen met deze dienaressen over naar het mooiste gedeelte van het vrouwenverblijf. Ester had niet verteld uit welk volk of welke familie ze stamde; Mordechai had haar namelijk op het hart gedrukt dit niet bekend te maken. Zo werd Ester bij koning Ahasveros gebracht, in het koninklijk paleis, in het zevende jaar van zijn regering, in de tiende maand, de maand tebet. En de koning voelde voor Ester meer liefde dan voor alle andere vrouwen, meer dan alle andere meisjes verwierf zij zijn bewondering en genegenheid. Daarom deed hij haar de koninklijke hoofdband om en maakte haar koningin in de plaats van Wasti.

Tweede lezing
Uit de Brief van de Heilige Augustinus, bisschop, aan Proba
(Ep. 130, 8, 15. 17-9,18: CSEL 44,56-57. 59-60)
Moge ons verlangen door gebeden worden versterkt

Waarom laten wij ons door allerlei dingen verstrooien en zoeken wij hoe wij moeten bidden, uit vrees dat wij niet bidden zoals het behoort? Waarom zeggen wij niet liever met de psalm: Eén ding heb ik de Heer gevraagd, dit slechts begeer ik: in het huis des Heren te wonen al de dagen van mijn leven, om het genot van de Heer te overwegen en zijn tempel te bezoeken? Want daar zijn alle dagen niet alleen maar een komen en gaan en is het einde van de ene dag niet alleen maar het begin van de andere. Alle dagen zijn daar gelijk en zonder einde, waar het leven zelf geen einde heeft, van welk leven die dagen deel uitmaken.

Om nu dat zalige leven te verkrijgen, heeft het ware Leven zelf ons geleerd te bidden, niet in een vloed van woorden alsof wij in die mate verhoord zouden worden naarmate wij spraakzamer zouden zijn, terwijl wij toch tot Hem bidden die, zoals de Heer zelf zegt, weet wat wij nodig hebben, voor wij Hem erom vragen.
Waarom Hij dit doet, die toch al weet wat wij nodig hebben, voor wij er Hem om vragen, zou ons kunnen verwonderen, als wij niet begrepen, dat onze Heer en God niet ons verlangen wil leren kennen, dat Hem niet onbekend kan zijn, maar dat Hij ons verlangen wil versterken door ons gebed, opdat wij kunne begrijpen wat hij van plan is ons te geen. Want dat is zeer groot, maar wij zijn kleine en enghartig om te begrijpen. Daarom wordt ons gezegd: Zet uw hart open; vormt geen ongelijk span met de ongelovigen.

Want wij zullen des te begeriger zijn om een zo’n groot goed te verwerken (wat geen oog heeft gezien, omdat het geen kleur heeft; en geen oor heeft gehoord, omdat er geen geluid is; noch in een mensenhart is opgekomen, omdat het mensenhart eerst daarheen moet opstijgen) des te begeriger dus, naarmate wij dit ook geloviger aanvaarden, vaster verhopen en vuriger verlangen.

Als dan ons verlangen blijft voortduren, dan bidden wij steeds in dit geloof, in deze hoop en in die liefde. Daarom bidden wij met vaste tussenpozen van uren en tijde  ook met woorden tot God, om onszelf door die tekenen aan te manen, en wij voor onszelf duidelijk kunnen maken in hoeverre wij in dat verlangen zijn gevorderd, en wij onszelf nog meer aansporen om het te vergroten.. Want hoe vuriger onze ijver is, die vooraf gaat, des te kostbaarder is het effect. Door dit nu en door het woord van de Apostel: Bidt zonder ophouden, wat wordt er anders mee bedoeld dan: Verlangt zonder ophouden het zalige leven, dat geen ander is dan het eeuwig leven, van Hem te ontvangen, die alleen het geven kan.



Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven” 29e zondag per annum / door het jaar


Christus ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie

Gereinigd worden door het Mysterie waarvan wij de dienaar zijn

I n l e i d i n g
Zoals in vele gebeden over de gaven wordt ook in dit gebed de zorg voor de zuivering van het hart indringend uitgedrukt. Wij vragen dat God ons door het Mysterie dat wij bedienen, loutert – en vóór het Mysterie, zou men in de zin van de heilige handeling mogen toevoegen. In eerste instantie lijkt het overvloedig dat nog uitdrukkelijk wordt gezegd: “door de zuiverende kracht van uw genade”. Maar de biddende Kerk is bezorgd: de gelovigen die de H. Eucharistie meevieren zouden op het einde kunnen denken dat het de ritus is die de reiniging bewerkt. Nee, het is God persoonlijk, zijn genadevol werken dat de zonden vergeeft. Zeer kunstvol wordt het wezen van dit dienen (“servire”) aan het begin van de oratie getypeerd. Het is een “vrije knechtsdienst”. In het “servire” van de tekst klinkt een “servitus” door, in de betekenis van “knechtschap”, “slaafsheid”, “onderworpenheid” en “dienstbaarheid” door. Dat zou echter niet volgens de wil van de Vader zijn, Gods wil die zijn kinderen heeft vrijgemaakt  door de “geest van aanneming tot zonen”: “De geest die gij ontvangen hebt, is er niet een van slaafsheid, die u opnieuw vrees zou aanjagen”. We horen het Sint Augustinus bij de wekelijkse voorlezing van zijn H. Regel telkens zeggen:  “Ga niet als slavinnen gebukt onder de wet” (Regel VIII,1; cf Rom 6,14-22), Gij hebt immers een geest van kindschap ontvangen, die ons doet uitroepen: Abba, Vader!” (Rom 8,15). Om deze vrije dienst – te leven “als vrije mensen onder de genade” (Regel VIII,1) - wordt gebeden, zij het ook dat degene die vrij is zich buigt voor de dienst en zij het dat de knecht zijn dienst verricht in het bewustzijn een vrij kind van God te zijn.

T e k s t
Missale Romanum – 1970
Tribue nos, Domine, quæsumus, donis tuis libera mente servire,
ut, tua purificante nos gratia,
iisdem quibus famulamur mysteriis emundemur.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie – 1979
Heer, geef dat wij U in vrijheid dienen met uw gaven,
opdat wij, door de zuiverende kracht van uw genade,
door hetzelfde Mysterie waarvan wij de dienaar zijn, worden gereinigd.
Werkvertaling
Verleen [ons], Heer, vragen wij, dat wij ons met vrij gemoed aan uw gaven wijden,
opdat wij, terwijl uw genade ons zuivert,
door dezelfde mysteries waaraan wij dienstbaar zijn, worden gereinigd.

L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
De oratie is afkomstig uit het Sacramentarium Leonianum, 146, Verona, Kapittelbibliotheek LXXXV;  2e helft 6e eeuw, een beroemde codex omdat deze de Rotulus van Ravenna bevat.
De oratio super munera komt voor als secreta  ‘mense Aprilis, XXXVIII alia missa’.
(Zie: E. Moeller, J.M. Clément en B. Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum, IX, S-V,  Brepols, Turnhout 1996, p. 187, nr. 5916.
In de edities van het Missale Romanum vóór 1970 wordt de oratie niet aangetroffen.
S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l f i g u r e n
1. Tribue nos, Domine, quæsumus, donis tuis libera mente servire,
2a. ut, 3. tua purificante nos gratia,
2b. iisdem 4. quibus famulamur 2b. mysteriis emundemur.

Redekundig gezien bestaat de oratie uit één enkele zin, opgebouwd uit
1.      openingszin met imperativus-prædicaat, adres en eerste bede (tribue … servire) geformuleerd in een accusativus cum infinitivo-constructie
2.     gevolgd door een finale/doelaanwijzende resp. consecutieve/gevolghebbende bijzin met coniunctief optatief karakter ingeleid door het voegwoord ut  (ut…emundemur),
3.     onderbroken door een bijzin met ablativus absolutus-constructie (tua…gratia)
en met inlassing in de laatste regel van
4.     een relatieve bijzin (quibus famulamur) in de indicativus – waarbij het pronomen relativum quibus refereert aan iisdem […] mysteriis (r. 2b) en donis tuis (r. 1), als eerder antecedent.

Ad 1
Tribue, schenk, verleen, geef, -  prædicaat van de openingszin in de imperativusvorm van het verbum tribuere, -ui, -tum, 3,  aan de spits van de oratie, even verderop klassiek gevolgd door de losse werkwoordsvorm quæsumus, met de dubbele functie van afzwakking van het gebiedende karakter en toegevoegde waarde van beter ritmische cursus van de oratie.
Het prædicaat tribue wordt gevolgd door de accusativus cum infinitivusconstructie (a.c.i.) nos …servire, dat wij [U] dienen, welke constructie als object bij het prædicaat dient.
Domine, [o] Heer, - anaklese in de vocativusvorm van Dominus.
Donis tuis, met uw gaven, - bijwoordelijke bepaling bij servire bestaande uit twee congruerende ablativusvormen, ablativus instrumentalis (van middel). Het verbum servire draagt als object de dativus bij zich. Dat betekent dat donis tuis hoc loco ook als een dativus pluralis bedoeld kan zijn.
Libera mente, met vrij gemoed, met vrije geest, uit vrije wil  - een volgende bijwoordelijke bepaling in twee congruerende ablativusvormen: ablativus modi die de wijze uitdrukt met welke innerlijke gesteldheid wij God met zijn gaven willen dienen óf ablativus qualitatis, van hoedanigheid. Beide mogelijkheden liggen dicht bijeen. Van het woordenpaar ‘libera mente’ zijn in de oratietaal verschillende varianten te vinden, zoals: pura mente, fideli mente, secura mente en devota mente.
In de openingsregel valt op dat de i-klank sterk aanwezig is.

Ad 2
Finale/doelaanwijzende resp. consecutieve/gevolghebbende bijzin van coniunctief karakter bepaald door het voegwoord ut.
Emundemur, op-/zodat wij worden gereinigd, - prædicaat in de 1e persoon meervoud præsentis passivi van het verbum emundare,  1, reinigen, zuiveren. Het præfix e of ex voor verba geeft dikwijls een meer intensieve betekenis aan het verbum. Hier wil de gebruikte vorm aanduiden hoe radicaal de H. Eucharistie van zonden zuivert. Dit betreft uiteraard de dagelijkse zonden, grote zonden of doodzonden is materie voor het Sacrament van boete en verzoening.
Iisdem…mysteriis, door dezelfde mysteries, - bijwoordelijke bepaling bij het prædicaat in twee congruerende ablativusvormen, die het middel of de oorzaak uitdrukken: ablativus instrumenti resp. causæ. De bij elkaar horende ablativi zijn uiteen geplaatst en vormen aldus de stijlfiguur hyperbaton.
Iisdem, met/door dezelfde, ablativus meervoud van het pronomen demonstrativum idem, eadem, idem, de-, hetzelfde. Mysteriis, door de mysteries/sacramenten, ablativus meervoud van het substanticum mysterium, ii, onz. De uiteenplaatsing van iisdem en mysteriis is een hyperbaton.

Ad 3
Bijzin met ablativus absolutus-constructie, samengesteld uit de twee congruente ablativusvormen tua…gratia, hier in een hyperbaton uiteengeplaatst gekoppeld aan het participium præsens in de ablativus en met nos als object van het prædicaat purificante. Twee, ook inhoudelijk, vergelijkbare constructies worden aangetroffen in de orationes super munera van de 9e zondag door het jaar: ‘tua purificante nos gratia’ en de 17e zondag: ‘gratiæ tuæ operante virtute’.

Ad 4
Quibus famulamur, waaraan wij dienstbaar zijn/die wij dienen -
Famulamur, 1e pers. meervoud præsentis passivi indicativi van het deponens famulari, famulatus sum. De indicativusmodus geeft een feitelijke toestand weer.
Evenals bij ‘servire’ (servire alicui) is de dativus, te lezen als ‘object’,  dikwijls gekoppeld aan dit verbum. Zie commentaar hierboven bij ‘donis tuis’.
Quibus, [aan] welke, - pronomen relativum 3e pers. meervoud onzijdig van qui, quæ, quod refererend aan  iisdem [..] mysteriis (r. 2b) en donis tuis (r. 1), als eerder antecedenten.

C o m m e n t a a r
De oratie begint met de bede ‘tribue…servire’. Het tekstelement ‘donis tuis…servire’  - [U] te dienen met/door uw gaven – kan hier worden begrepen in de zin van de gaven die tot een passende manier worden om God te aanbidden.
In de passage ‘libera…mente’, vrij van geest - vraagt de Kerk dat zij haar werk mag voltrekken, onbezwaard van wat haar mag hinderen zoals gebrek aan geloof, besef van eigen zondig- en onwaardigheid te midden van andere verstrooiingen. Het juiste gebruik van Gods gaven sluit in dat de Kerk de gaven offert in de Eucharistische gedachtenis van het Offer van Christus Zelf, met onbezwaard gemoed en onder dankzegging aan God.
De bewoording ‘in vrijheid’ van het Nederlands Altaarmissaal van 1979 is minder exact omdat vrijheid als zodanig een interne en externe component heeft: extern wil zeggen: vrij van uitwendige druk, intern wil zeggen: met onbezwaard gemoed. ‘Libera mente’  betekent dus met onbezwaard gemoed en niet vrij van uitwendige druk.
Het valt op dat in het Gebed over de gaven van deze zondag twee termen worden gebruikt die betrekking hebben op dienstbetoon. In het eerste gedeelte van de oratie is voor ‘servire’ gekozen, terwijl in de bijzin die het verhoopte effect van de offerande beschrijft, is gekozen voor ‘famulari’. Beide termen verwijzen naar de relatie tussen God en mens als Meester en knecht, ouder en kind en zelfs van vriend tot vriend. Het verbum ‘famulari’ lijkt – sterker dan ‘servire’- te duiden op een meer intieme relatie tussen God en mens die ontstaat in de Eucharistieviering: wij zijn immers Gods aangenomen kinderen (adoptio). Bij Jo 15, 15 zegt Jezus: ‘Ik noem u geen dienaars meer, want de dienaar weet niet wat zijn heer doet, maar u heb Ik vrienden genoemd, want Ik heb u alles meegedeeld wat Ik van de Vader heb gehoord’.
Een ‘famulus’ is immers geen willekeurige dienaar, maar een ‘huisdienaar’, die tot de familie behoort.
In de H. Eucharistie is geen sprake van uitwisseling (‘commercium’) onder gelijken, maar gaat het om de betrekking met God waarin mensen niet gehouden zijn tot zuivere serviliteit, maar worden verheven om zich aan de Heer te geven en daar tegenover God Zelf mogen ontvangen: vgl. de tekstpassage  ‘teipsum mereamur acciptere’ in de Oratio super munera van de 20e zondag door het jaar.
Eveneens valt op dat in de oratietekst het ‘servire’ wordt getemperd door de frase ‘libera mente’.  Deze vrijwilligheid van dienstbetoon brengt immers het begrip in herinnering dat Sint Irenæus beschrijft als een gemeenschap van vrije mensen die genereus en van vreugde vervuld hun aardse bezittingen opgeven en zichzelf in dienst van God stellen (Adversus hæreses, IV, cap. 1, in Sources chrétiennes, 100)).
‘Servire’ is, God dienen.
Het concept van een man die God als dienaar dient is van Bijbelse oorsprong. In de Vulgaat zijn de begrippen ‘servire’ en ‘servus’ de gebruikelijke vertalingen voor δουλεύειν en δούλος τού θεού. Het verbum komt in de oraties in een moreel religieuze betekenis voor. Gewoonlijk is het object ‘tibi’, bijvoorbeeld: ‘purificatis tibi mentibus servire mereamur’- dat wij [U] met een gezuiverd hart mogen dienen – (Collecta Maria Lichtmis) en ‘ut tibi a fidelibus tuis digne et laudabiliter serviatur’, - opdat U door uw gelovigen waardig en loffelijk worde gediend’ (Collecta 31e zondag door het jaar). Dat deze  ‘dienst’ aan God werkelijk een eredienst  betekent, wordt passend uitgedrukt door een oxymoron (stijlfiguur waarbij twee woorden worden gecombineerd die elkaar in hun letterlijke betekenis tegenspreken).
Dus we hebben bijvoorbeeld ‘ut…Ecclesia tua secura tibi serviat libertate’, opdat uw Kerk U in rust en vrijheid mag dienen  (Collecta 2 Om de hulp van de Heiligen te vragen; MR 1962); ‘libera tibi mente servire’, om U met een vrij hart te dienen (Secreta, H.Lucas, 18 okt.; MR 1970); ‘liberis tibi mentibus deserviant’, dat zij U met een vrij hart kunnen dienen (Postcomm. Misformulier Tegen de heidenen die de Kerk vervolgen, MR 1962) en ‘Deus ..cui servire regnare est’, U dienen is heersen (Postcomm. Misformulier Voor de vrede, MR 1962).
De voorbeelden hier tonen dat ‘liberis mentibus’ toch ook wijst op het vrij zijn van uitwendige dwang.
Het werkwoord ‘servire’ is ook gebruikt in een cultische betekenis, verwijzend naar de liturgische handeling, bijvoorbeeld ‘Protege nos… tuis mysteriis servientes’, Bescherm ons…die aan uw geheimen deelnemen / die uw geheimen bedienen (Secreta Misformulier Tegen de vervolgers van de Kerk, MR 1962); ‘ut digne tuis servire semper altaribus mereamur’,  dat wij waardig de dienst van uw altaren mogen waarnemen (Secreta, Feria VI post Dom. Passionis, MR 1962) en ‘me…cælestibus mysteriis servire tribuisti’, en mij…hebt verleend uw heilige geheimen te bedienen (Collecta Misformulier Voor de priester zelf, MR 1962).
Het begrip ‘gratia’ wordt uitdrukkelijk genoemd in vier orationes super munera in de Tijd door het jaar (zondagen IX, XVII,  XXIX, XXXIII), impliciet echter is het begrip in alle orationes aanwezig.
Wat de Kerk doet in de liturgie maar in feite in haar hele leven en werkzaamheid berust op een voorafgaande gave daartoe van de kant van God. Genade wordt hier beschouwd als de aan God eigen liefhebbende vriendelijkheid tegenover de mensen, die vrij, vrijgevig, totaal onverwacht en onverdiend is.
De voorbereiding en aanbieding van de gaven voor de H. Eucharistie is een bijzondere manifestatie van Gods genade die in de orationes super munera op drie manieren tot uitdrukking wordt gebracht:
·        In sommige gevallen behelst de oratie expliciet het woord gratia dat staat voor de bijzondere werkzaamheid van de genade in de Eucharistische viering. Daarin kan de genade reinigend werken zoals in de oratie van deze zondag.
·        De werking van de genade kan ook heiligen zijn en voeren tot de eeuwige vreugde: ‘ad gaudia sempiterna perducant’ (Dom. 17 oratio super munera).
·        Het sterkt de devotie van degenen die de gaven aanbieden om het paasmysterie - het Lijden, de Dood en de Verrijzenis van de Heer, geactualiseerd in de H. Eucharistie - te commemoreren: ‘Concede, quæsumus, Domine, ut oculis tuæ maiestatis munus oblatum…gratiam nobis devotionis obtineat’, Heer, laat ons door de gaven die wij voor uw aanschijn hebben opgedragen de genade verkrijgen van devotie (Dom. 33 oratio super munera).
In deze oraties die toespelingen op de genade bevatten, bewerkt deze genade allereerst dat de offerande van de gaven en van de dienstbaarheid van de Kerk voor God aanvaardbaar zijn en door Hem worden ontvangen én tenslotte tot voordeel strekken van de Kerk.

Het Secreta-gebed van zondag Quinquagesima en de 3e zondag van de Vasten in MR 1962 wezen – geheel overeenkomstig de liturgische tijd van Voorvasten en Vasten - op het zuiverende karakter van de offergaven. De tekst luidde dan: ‘Deze offergave moge ons zuiveren van zonden voor het vieren van het Offer’
De offergave waarvan wordt verwacht dat zij de zondaar zuivert, kan alleen het Lichaam en Bloed van de Heer zijn. Evenmin zouden brood en wijn het lichaam en de ziel van de biddenden kunnen heiligen.
‘Het Lichaam van Christus dat wij in de Communie ontvangen, werd ‘voor ons overgeleverd’, en het Bloed dat wij drinken, werd ‘vergoten voor velen tot vergeving van de zonden’. Daarom kan de H. Eucharistie ons niet met Christus verenigen zonder ons ook tegelijk te zuiveren van bedreven zonden en ons te behoeden voor toekomstige zonden” (Katechismus Kath. Kerk nr. 1393).
De H. Eucharistie neemt dus onze zonden weg omdat zij het Offer van Onze Heer Jezus Christus is. Hij betaalde de prijs voor alle zonden ooit begaan of die ooit zullen worden begaan. Zijn Persoon is de prijs van onze redding. In het H. Misoffer wordt deze daad van Verlossing geactualiseerd en erkend als bron van kwijtschelding. Als het sleutelwoord, Offer, wordt losgelaten, wordt de Waarheid en het Volk van God tekort gedaan, dat verdient te weten wat de oratie werkelijk zegt.
Bisschop Ambrosius van Milaan [Trier 339 - Milaan 397) zegt tegen de pasgedoopten bij zijn onderricht over de H. Eucharistie na het Doopsel: “Telkens wanneer wij Hem ontvangen, verkondigen wij de Dood van de Heer’ (1 Kor 11,26). Wanneer wij de Dood van de Heer verkondigen, verkondigen wij ook de vergeving van de zonden. Wanneer zijn Bloed, telkens als het vergoten wordt, vergoten wordt voor de vergeving van de zonden, dan moet ik het altijd ontvangen, opdat mijn zonden altijd vergeven worden. Daar ik altijd zondig, moet ik altijd een redmiddel hebben” (De Sacramentis 4,28).