donderdag 30 maart 2017

My Song Is Love Unknown - King's College, Cambridge



My song is love unknown,
My Saviors love to me;
Love to the loveless shown,
That they might lovely be.
O who am I, that for my sake
My Lord should take, frail flesh and die?

He came from His blest throne
Salvation to bestow;
But men made strange, and none
The longed for Christ would know:
But O! my Friend, my Friend indeed,
Who at my need His life did spend.

Sometimes they strew His way,
And His sweet praises sing;
Resounding all the day
Hosannas to their King:
Then Crucify! is all their breath,
And for His death they thirst and cry.

They rise and needs will have
My dear Lord made away;
A murderer they saved,
The Prince of life they slay,
Yet cheerful He to suffering goes,
That He His foes from thence might free.

Here might I stay and sing,
No story so divine;
Never was love, dear King!
Never was grief like Thine.
This is my Friend, in Whose sweet praise
I all my days could gladly spend.


Jean Provost. Ecce Homo



 Jan Provost, Ecce Homo. Eind XVe eeuw. 
Olieverf op hout, 45cm x 30cm
Diocesaan Museum, Palencia

Mijn ziel was stilaan vermoeid. Maar hoe ik het ook verlangde, mijn slechte gewoonten lieten haar geen rust. Tot ik, op zekere dag, bij het betreden van het oratorium (gebedsplaats) een beeld zag. Het werd er bewaard voor een feest  dat in het klooster gevierd werd.  Het stelde Christus voor met wonden overdekt en stemde werkelijk tot godsvrucht. Hem zó te zien, ontroerde me diep. Het toonde zo duidelijk wat Hij voor ons geleden heeft. Ik leed onder mijn grote tekort aan erkentelijkheid voor zoveel smartelijke wonden en dacht dat mijn hart brak. Ik wierp me voor Hem neer, schreide overvloedige tranen, en bad om eens en voor altijd gesterkt te worden, zodat ik Hem nooit meer zou  beledigen.

Het zijn de woorden van de heilige Teresa, uit hoofdstuk 9 uit het Boek van haar Leven. Het is een reactie die het schilderij boven, bewaard in het Diocesaan Museum van Palencia, toegeschreven aan Jan Provost, afkomstig uit de parochie van de Heilige Magdalena van Población de Campos (bisdom Palencia) had kunnen oproepen.

De gestalte van Christus straalt verheven sereniteit uit, hoop en mysterie. Zoals de profeet Jesaja zegt: “door zijn striemen zijn wij genezen”. De Heer werd door Pilatus aan het gepeupel uitgeleverd met de woorden: zie hier de Mens. Inderdaad, in de passie van Christus zien we niet alleen waartoe de mens in zijn wreedheid in staat is, maar vooral, wat de Nieuwe Mens, Christus de Verlosser, voor ieder van ons, zondaars, doet.


De biddende reactie van de heilige Teresa bij het beschouwen van het beeld van de lijdende Christus nodigt ons uit, ook vandaag de dag, om hetgeen ons van Christus, scheidt te berouwen, van Hem, die voor ons op zulk een wijze en in zulke mate heeft geleden.

dinsdag 28 maart 2017

Liturgy of the Hours St Leo the Great In praise of charity

From a sermon by Pope St Leo the Great

In praise of charity
In John’s gospel the Lord says: By this love you have for one another, everyone will know you are my disciples. In a letter by John we read: My dear people, let us love one another since love comes from God and everyone who loves is begotten by God and knows God. Anyone who fails to love can never have known God, because God is love.
  So the faithful should look into themselves and carefully examine their minds and the impulses of their hearts. If they find some of the fruits of love stored in their hearts then they must not doubt God’s presence within them, but to make themselves more and more able to receive so great a guest they should do more and more works of durable mercy and kindness. After all, if God is love, charity should know no limit, for God himself cannot be confined within limits.
  What is the appropriate time for performing works of charity? My beloved children, any time is the right time, but these days of Lent provide a special encouragement. Those who want to be present at the Lord’s Passover in holiness of mind and body should seek above all to win this grace. Charity contains all other virtues and covers a multitude of sins.
  As we prepare to celebrate that greatest of all mysteries, by which the blood of Jesus Christ destroyed our sins, let us first of all make ready the sacrificial offerings — that is, our works of mercy. What God in his goodness has already given to us, let us give to those who have sinned against us.
  And to the poor also, and to those who are afflicted in various ways, let us show a more open-handed generosity so that God may be thanked through many voices and the needy may be fed as a result of our fasting. No act of devotion on the part of the faithful gives God more pleasure than the support that is lavished on his poor. Where God finds charity with its loving concern, there he recognises the reflection of his own fatherly care.
  Do not be put off giving by a lack of resources. A generous spirit is itself great wealth, and there can be no shortage of material for generosity where it is Christ who feeds and Christ who is fed. His hand is present in all this activity: his hand, which multiplies the bread by breaking it and increases it by giving it away.
  When you give alms, do not be anxious but full of happiness. The greatest treasure will go to the one who has kept the least for himself. The holy apostle Paul tells us: He who provides seed for the sower will give bread for food, provide you with more seed, and increase the harvest of your goodness, in Christ Jesus our Lord, who lives and reigns with the Father and the Holy Spirit for ever and ever. Amen.

maandag 27 maart 2017

Wij gaan op naar het Paasfeest, en voorvoelen reeds de blijdschap van het mysterie

Overweging bij zondag Lætare



 “Heb vertrouwen, Jeruzalem, want de Heer zal al uw ongerechtigheden wegnemen. Afwassen zal de Heer de smetten van uw zonen en dochters, door de stormwind van het oordeel en door de stormwind van het vuur (Is 4,4). Hij zal u besprenkelen met zuiver water: dan zult gij gereinigd worden van al uw vlekken (Ez 36,25). de koren der engelen omringen u en zeggen: Wie is zij die daar opstijgt in witte glans, leunend op haar Geliefde? (Hoogl 8,5). Want de ziel die eertijds een slavin was, heeft zich nu de Heer zelf tot Geliefde verkoren” (H. Cyrillus van Jeruzalem).
Met deze gedachten bereiden wij ons voor op het Paasfeest: de Heer zal zijn uitverkorenen verlossen, en Christus zal de Broeder en de Bruidegom zijn van het geestelijke Jeruzalem van de Kerk. Zo groot is deze vreugde, dat zij ons midden in de vastentijd op deze zondag een ogenblik de droefheid van onze boete doet vergeten. Wij gaan op naar het feest, en reeds voorvoelen wij de blijdschap welke ons in het mysterie van dit feest wordt geschonken.
Hoe werkelijk echter de verlossing is waaraan wij door het geheim van Christus’ dood en opstanding deelachtig zijn geworden, wij mogen niet vergeten dat het Paasfeest op aarde slechts het voorspel is van het feest dat wij in de eeuwigheid zullen genieten. Want het meest verheven en meest werkelijke feest is het feest van het eeuwige leven: het eeuwig geluk als wij waarlijk voor Gods aanschijn zullen staan. Daarom wordt ons hier op aarde de voelbare vreugde slechts bij uitzondering geschonken.
Maar ook als wij de aanwezigheid Gods niet op deze wijze gevoelen, is Hij de verloste mens nabij. En deze zekerheid is tevens een reden tot vreugde. Zij spoort ons aan steeds aan Gods tegenwoordigheid te denken en dichter tot Hem te komen door al onze werken, door onze wil en onze liefde. Want nu wij het eeuwige feest nog niet hebben bereikt, moeten wij voortdurend de Heer zoeken door gebed en boete. Hij is ons nabij in zijn genade en in de mysteries der feesten welke de Kerk op aarde mag vieren. Maar Hij vraagt van ons dat wij Hem daar zouden vinden, steeds opnieuw, om daardoor inniger met Hem te worden verenigd.
(Uit het “Groot Gebedenboek”)

zondag 26 maart 2017

26 maart Heilige Ludger

Martyrologium Romanum
en Proprium van de Nederlandse Bisdommen
Aartsbisdom Utrecht en bisdom Groningen-Leeuwarden:
Ludger wordt door zijn ouders, Thiadgrim und Liafburg, overgedragen aan
de domschool van de Sint Martinuskerk te Utrecht

De heilige Liudgerus [geb. ca. 742 te Zuilen], bisschop, die afkomstig was uit het toenmalige land van de Friezen, zijn vorming ontving van Alcuinus [in York] en als clericus van Utrecht aanvankelijk verbonden was aan de domschool aldaar. Hij predikte het Evangelie in het land van de Friezen, in Denemarken en in Saksen en legde de grondslag voor het bisdom Münster, waarvan hij de eerste bisschop werd. Bovendien stichtte hij verschillende kloosters, die ware steunpunten vormden voor de verbreiding van het geloof. Hij overleed in het klooster van Werden in het toenmalige Saksen.
 De kopkant van het houten Ludgerusschrijn de abdijkerk van Werden (1909)
toont de stichter van de abdij in bisschoppelijk ornaat,
de rechterhand zegenend omhoog geheven. 


Sint Ludgeruskerk Essen
Meer informatie:

Liturgia Horarum Sint Augustinus: Christus, de Weg naar het licht, de waarheid en het leven


Liturgia Horarum
Lezing op zondag Lætare
Sint Augustinus:
Christus, de Weg naar het licht, de waarheid en het leven

De Heer zegt in het kort: Ik ben het Licht van de wereld. Wie Mij volgt wandelt niet in de duisternis, maar zal het licht van het leven hebben. Uit deze woorden blijkt, dat wat Hij bevolen heeft iets anders is dan wat Hij beloofd heeft. Laten wij daarom doen wat Hij bevolen heeft, om niet brutaalweg te verlangen wat Hij beloofd heeft en om niet in het oordeel tegen ons te horen zeggen: Ge hebt toch zeker wel gedaan, wat Ik bevolen heb, om nu te vragen, wat Ik beloofd heb? – Wat hebt Gij dan bevolen, heer, onze God? – En Hij zegt u: Dat gij Mij zoudt volgen. Ge hebt gevraagd naar een raad voor het leven. Voor welk leven anders dan waarover gezegd is: Bij U is de bron van het leven?
Welnu, laten we dit dan doen en de Heer volgen. Laten we de boeien losmaken waardoor we belet worden Hem te volgen. En wie is in staat zulke knopen los te maken, tenzij Hij helpt, tot Wie gezegd is: Gij hebt mijn boeien verbroken? En over Wie een andere psalm zegt: De Heer maakt de geboeiden los, de Heer richt neergeslagenen op.
En wat volgen die bevrijden of opgerichten anders dan het Licht, waarover zij horen: Ik ben het Licht der wereld. Wie Mij volgt, wandelt niet in de duisternis? Want de Heer schenkt licht aan de blinden. Laten we ons dus nu laten verlichten, broeders, omdat wij de oogzalf bezitten van het geloof. Want Hij ging ons voor, wiens speeksel met aarde werd vermengd, waarmee de blindgeborene gezalfd werd. Ook wij zijn door afstamming van Adam blind geboren en hebben zijn licht nodig. Hij mengde zijn speeksel met aarde: Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond. Hij mengde zijn speeksel met aarde; zo werd voorspeld: Waarheid is uit de aarde ontsproten. Zelf zegt Hij evenwel: : Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.
Wij zullen de waarheid genieten, als we Hem van aangezicht tot aangezicht zullen zien, want ook dat wordt ons beloofd. Wie toch zou op iets durven hopen, wat God zich niet verwaardigde te beloven of te geven? We zullen Hem zien van aangezicht tot aangezicht. De Apostel zegt:  Nu ken ik ten dele, door een spiegel en onduidelijk, dan echter van aangezicht tot aangezicht. En de Apostel Johannes in zijn Brief: Geliefden, nu reeds zijn wij kinderen van God, en wat wij zullen zijn, is nog niet geopenbaard. Maar wij weten, dat wanneer Hij zich openbaart, wij aan Hem gelijk zullen zijn, omdat wij hem zullen zien zoals Hij is. Dat is de grote belofte.
Als ge bemint, broeders, volg Hem dan. Ik bemin, zegt ge, maar langs welke weg moet ik hem volgen?> Als uw Heer en God u gezegd had: Ik ben de waarheid en het leven, dan zoudt ge, als ge naar de waarheid zoudt verlangen en het leven begeren, zeker naar de weg zoeken, waarlangs ge daartoe zoudt kunnen komen, en ge zoudt tot u zelf zeggen: De waarheid is iets groots, iets groots ook het leven. Wist mijn ziel maar, hoe ik die kon bemachtigen!
Ge vraagt: Op welke manier? Luister naar Hem die allereerst zegt: Ik ben de weg. Vóór Hij u zei: Waarheen, liet Hij er aan voorafgaan: langs welke weg? Ik ben, zegt Hij, de weg. En waarheen ga ik langs die weg? Ik ben én de waarheid én het leven. Eerst zegt Hij langs welke weg ge er kunt komen, daarna waarheen ge gaat. Ik ben de weg, Ik ben de waarheid, Ik ben het leven. Blijvend bij de Vader is Hij waarheid en leven, maar zich bekledend met het vlees is Hij tot onze weg geworden.
Er wordt u niet gezegd: Doe uw best de weg te vinden, om tot de waarheid en het leven te komen; dat wordt u niet gezegd. Trage mens, sta op! De Weg zelf is tot u gekomen en heeft u, die sliep, uit uw slaap gewekt, als Hem dat tenminste gelukt is; sta op en wandel.
Misschien probeert gij te lopen, maar kunt gij niet, omdat uw voeten u pijn doen. Vanwaar komt die pijn?  Omdat uw voeten misschien door geldzucht gedreven langs oneffen wegen hebben gelopen? Maar het Woord Gods heeft ook kreupelen genezen. Zie, zegt ge: ik heb gezonde voeten, maar ik zie de weg niet. Maar Hij heeft ook blinden het licht gegeven.

Tract.  34, 8-9: CCL 36, 315-316

zaterdag 25 maart 2017

Lezingen H. Mis 4e zondag van de vasten jaar A

Eerste lezing (1 Sam. 16,1b.6-7.10-13a)
Uit het eerste boek Samuël.
In die dagen zei de Heer tot Samuël:
“Vul een hoorn met olie:
Ik zend u naar Isaï, de Betlehemiet,
want één van zijn zonen heb ik voor het koningschap bestemd.”
Toen Samuël daar aankwam, viel zijn blik op Eliab en hij dacht:
Die daar voor de Heer staat is ongetwijfeld zijn gezalfde!
Maar de Heer zei tot Samuël:
“Ga niet af op zijn voorkomen of rijzige gestalte;
hem wil Ik niet.
Want God ziet niet zoals een mens ziet;
een mens kijkt naar het uiterlijk,
maar de Heer naar het hart.”
Zo stelde Isaï zeven van zijn zonen aan Samuël voor,
maar Samuël zei tot Isaï:
“Geen van hen heeft de Heer uitverkoren.”
Daarop vroeg hij aan Isaï:
“Zijn dat al uw jongens?”
Hij antwoordde: “Alleen de jongste ontbreekt; die hoedt de schapen.”
Toen zei Samuël tot Isaï:
“Laat die dan halen, want we gaan niet aan tafel
voordat hij hier is.”
Isaï liet hem dus halen.
De jongen was rossig, had mooie ogen en een prettig voorkomen.
Nu zei de Heer: “Hem moet gij zalven: hij is het.”
Samuël nam dus de hoorn met olie
en zalfde hem te midden van zijn broers.
Sedert die dag
was de geest van de Heer vaardig over David.

Tweede lezing (Ef. 5,8-14)
Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de Christenen van Efeze.
Broeders en zusters,
eens waart gij duisternis,
nu zijt gij licht door uw gemeenschap met de Heer.
Leeft dan ook als kinderen van het licht.
De vrucht van het licht kan alleen maar zijn:
goedheid, gerechtigheid, waarheid.
Tracht te ontdekken wat de Heer behaagt.
Neem geen deel aan duistere en onvruchtbare praktijken,
brengt ze liever aan het licht.
Wat die mensen in het geheim doen
is te schandelijk om ook maar over te spreken.
Alles echter wat aan het licht is gebracht,
komt in het licht tot helderheid.
En alles wat verhelderd wordt,
is zelf ‘licht’ geworden.
Zo zegt ook de hymne:
“Ontwaak, slaper,
sta op uit de dood
en Christus’ licht zal over u stralen.”

Evangelie (Joh. 9,1-41)
In die tijd zag Jezus in het voorbijgaan een man, die blind was
van zijn geboorte af.
Zijn leerlingen vroegen Hem:
“Rabbi, wie heeft gezondigd,
hijzelf of zijn ouders,
dat hij blind geboren werd?”
Jezus antwoordde:
“Noch hij, noch zijn ouders hebben gezondigd,
maar de werken Gods moeten in hem openbaar worden.
Wij moeten de werken van Hem, die Mij gezonden heeft,
verrichten zolang het dag is.
Er komt een nacht
en dan kan niemand werken.
Zolang Ik in de wereld ben,
ben Ik het licht der wereld.”
Toen Hij dit gezegd had,
spuwde Hij op de grond,
maakte met het speeksel slijk,
bestreek daarmee de ogen van de man
en zei tot hem:
“Ga u wassen in de vijver van Siloam,”
- dat betekent: gezonden -
Hij ging er naar toe, waste zich
en kwam er ziende vandaan.
Zijn buren nu
en degenen, die hem vroeger hadden zien bedelen, zeiden:
“Is dat niet de man, die zat te bedelen?”
Sommigen zeiden:
“Inderdaad, hij is het.”
Anderen:
“Nee, hij lijkt alleen maar op hem.”
Hijzelf zei:
“Ik ben het.”
Toen vroegen ze hem:
“Hoe zijn dan uw ogen geopend?”
Hij antwoordde:
“De man die Jezus heet, maakte slijk,
bestreek daarmee mijn ogen en zei tot mij:
Ga naar de Siloam en was u.
Ik ben dus gegaan, waste mij en kon zien.”
Ze vroegen hem toen:
“Waar is die man?”
Hij zei:
“Ik weet het niet.”
Men bracht nu de man, die blind geweest was
bij de Farizeeën;
de dag waarop Jezus slijk had gemaakt en zijn ogen geopend,
was namelijk een sabbat.
Ook de Farizeeën vroegen hem dus,
hoe hij het gezicht herkregen had.
Hij zei hun:
“De man die Jezus heet, deed slijk op mijn ogen,
ik waste mij en ik zie.”
Toen zeiden sommige Farizeeën:
“Die man komt niet van God,
want Hij onderhoudt de sabbat niet.”
Anderen zeiden:
“Hoe zou een zondig mens zulke tekenen kunnen doen?”
Zo was er verdeeldheid onder hen.
Zij richtten zich opnieuw tot de blinde en vroegen:
“Wat zegt gijzelf van Hem,
daar Hij u de ogen geopend heeft?”
Hij antwoordde:
“Hij is een profeet.”
De Joden wilden niet van hem aannemen,
dat hij blind was geweest en het gezicht herkregen had,
eer zij de ouders van de genezene hadden laten komen.
Zij stelden hun toen de vraag:
“Is dit uw zoon,
die volgens uw zeggen blind geboren is?
Hoe kan hij dan nu zien?”
Zijn ouders antwoordden:
“Wij weten, dat dit onze zoon is
en dat hij blind is geboren,
maar hoe hij nu zien kan, weten we niet;
of wie zijn ogen geopend heeft,
wij weten het niet.
"Vraagt het hemzelf
hij is oud genoeg
en hij zal zelf zijn woord wel doen.”
Zij ouders zeiden dit, omdat zij bang waren voor de Joden,
want de Joden hadden reeds afgesproken
dat al wie Hem als Messias beleed,
uit de synagoge gebannen zou worden.
Daarom zeiden zijn ouders:
Hij is oud genoeg, vraag het hemzelf.
Voor de tweede maal
riepen de Farizeeën nu de man die blind was geweest bij zich
en zeiden hem:
“Geef eer aan God.
Wij weten dat de man, die Jezus heet, een zondaar is.”
Hij echter antwoordde:
“Of Hij een zondaar is, weet ik niet.
Eén ding weet ik wel:
dat ik blind was en nu zie.”
Daarop vroegen zij hem wederom:
“Wat heeft Hij met u gedaan?
Hoe heeft Hij uw ogen geopend?”
Hij antwoordde:
“Dat heb ik al verteld, maar gij hebt niet geluisterd.
Waarom wilt gij het opnieuw horen?
Wilt ook gij soms leerlingen van Hem worden?”
Toen zeiden zij smalend tot hem:
“Jij bent een leerling van die man,
wij zijn leerlingen van Mozes.
Wij weten dat God tot Mozes gesproken heeft,
maar van deze weten wij niet waar Hij vandaan is.”
De man gaf hun ten antwoord:
“Dit is toch wel wonderlijk,
dat gij niet weet vanwaar Hij is;
en Hij heeft mij nog wel de ogen geopend.
Wij weten dat God niet naar zondaars luistert,
maar als iemand godvrezend is en zijn wil doet,
dan luistert Hij naar zo iemand.
Nooit in der eeuwigheid heeft men gehoord,
dat iemand de ogen van een blindgeborene heeft geopend.
Als deze man niet van God kwam,
had Hij zo iets nooit kunnen doen.”
Zij voegden hem toe:
“In zonden ben je geboren,
zo groot als je bent,
en jij wilt ons de les lezen?”
Toen wierpen zij hem buiten.
Jezus vernam dat men hem buitengeworpen had
en toen Hij hem aantrof, zei Hij:
“Gelooft ge in de Mensenzoon?”
Hij antwoordde:
“Wie is dat Heer?
Dan zal ik in Hem geloven.”
Jezus zei hem:
“Gij ziet Hem,
het is Degene die met u spreekt.”
Toen zei Hij:
“Ik geloof, Heer.”
En hij wierp zich voor Hem neer.
En Jezus sprak:
“Tot een oordeel ben ik in deze wereld gekomen,
opdat de niet-zienden zouden zien
en de zienden blind worden.”
Enkele Farizeeën die bij Hem stonden,
hoorden dit en zeiden tot Hem:
“Zij wij soms ook blind?”
Jezus antwoordde:
“Als gij blind waart, zoudt gij geen zonde hebben,
maar nu gij zegt: wij zien,
blijft uw zonde.”
Woord van de Heer.
Wij danken God.