donderdag 18 mei 2017

Mededeling voor onze lezers

Na Hemelvaart komen wij op dit weblog graag weer bij U terug.


Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven” Zesde zondag van Pasen

Christus ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie

Beter beantwoorden aan dit sacrament van Gods grote liefde

I n l e i d i n g
De teksten van de Gebeden over de gaven verwijzen, uiteraard, dikwijls naar de offerande van (offer)gaven en gebeden. Het zijn de “grondstoffen” voor het sacramentele offer en de eucharistische maaltijd, stoffelijk en geestelijk. In de oratie van deze zondag wordt een derde element toegevoegd: het beeld van het ‘opstijgen tot God’ (Ascendant ad te) dat samenhangt met Psalm 141, 2: “Dirigatur oratio mea sicut incensum in conspectu tuo” - Moge mijn gebed als een reukoffer voor uw Aanschijn opstijgen. Volgens de rubrieken van het Missale Romanum 1962 werd deze psalm door de priester tijdens het bewieroken van het altaar gereciteerd. Daaraan vooraf ging de bewieroking van de offergaven van brood en wijn waarbij de priester zei: “Incensum istud a te benedictum ascendat ad te, Domine: et descendat super nos misericordia tua” – Deze wierook, door U gezegend, stijge tot U op, Heer; en Uw barmhartigheid dale over ons neer. In deze bondige formulering wordt opnieuw die wonderlijke uitwisseling (commercium) uitgedrukt: het offer van brood en wijn, anticiperend op de transsubstantiatie in het Lichaam en Bloed van Christus tijdens de Consecratie, wordt door de Vader beantwoord met een van Zijn meest sublieme hoedanigheden: misericordia, barmhartigheid. Ook al zijn bovengenoemde gebeden en deze rite als zodanig in het MR 1970 niet meer opgenomen, het Algemeen Statuut van MR 1970 formuleert in ieder geval de mogelijkheid van bewieroking alsook de symbolische betekenis ervan: “Dona in altari collocata, et ipsum altare, incensari possunt, ut oblatio Ecclesiæ eiusque oratio sicut incensum in conspectum Dei ascendere significentur” (nr. 51) – De op het altaar geplaatste gaven en het altaar zelf kunnen worden bewierookt, om te beduiden dat de offergave en het gebed van de Kerk als wierook opstijgen voor het Aangezicht van God.
Wat de oratie van het opstijgen van de gebeden en offergaven verwacht, is dat God in zijn overgrote genade priester en gelovigen zuivert en hen het grote mysterie van de goddelijk liefde waardig maakt. Het grote mysterie van de goddelijke liefde is de H. Eucharistie, het Offer van het Nieuwe Verbond, waarin de gebeden van de Kerk met de gebeden van Christus, en haar gaven met de gaven van de H. Eucharistie, het Lichaam en Bloed van Christus, onder de tekenen van brood en wijn, tot God opstijgen.
T e k s t
Missale Romanum – 1970
Ascendant ad te, Domine, preces nostræ cum oblationibus hostiarum,
sacramentis magnæ pietatis aptemur.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie – 1979
maak ons in uw goedheid vrij van zonden

Werkvertaling 
Mogen onze gebeden [tegelijk] met [onze] offergaven (letterlijk: met het brengen (met de aanbiedingen) van de offers, Heer, tot U opstijgen,
geschikt worden gemaakt voor Uw sacramenten van Uw grote liefde.

L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
De bron van tekstelementen van deze oratio super munera/oblata of oratio secreta gaat terug tot op het Sacramentarium Leonianum, (Verona, Kapittelbibliotheek LXXXV; tweede helft zesde eeuw) 1191 en 181. De oratio als zodanig kwam niet voor in eerdere uitgaven van het Missale Romanum.

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l f i g u r e n
1. Ascendant ad te, Domine, preces nostræ cum oblationibus hostiarum,
2a. ut, 2b. tua dignatione mundati,
2a. sacramentis magnæ pietatis aptemur.
De oratie is opgebouwd uit een enkele zin, bestaande uit een hoofdzin (r. 1) in de coniunctivusvorm, gevolgd door een finale / doelaanwijzende resp. consecutieve / gevolghebbende bijzin in de coniunctivusvorm ingeleid door het voegwoord ut (r. 2a), welke wordt onderbroken door de ondergeschikte bijwoordelijke bijzin met aanvullende informatie bij het subject wij (af te leiden uit de persoonsuitgang aptemur) tua dignatione mundati (r. 2b).
Ad 1
Ascendant, mogen zij opstijgen, - prædicaat, 3e pers. meerv. in de coniunctivusvorm van het verbum ascendere, 3, vanwege het wens-/ gebedskarakter van de tekst. Met de plaatsing van dit werkwoord in de optativus aan de spits van de oratie wordt de betekenis ervan krachtig onderstreept. Preces nostræ cum oblationibus hostiarum: tweeledig bij het verbum behorend subject in de twee congruerende nominativusvormen meervoud (preces nostræ) en in nevenschikking een ablativusvorm (oblationibus) in het meervoud, bepaald door het voorzetsel cum, gevolgd door een genitivusvorm (genitivus subiectivus in het meervoud  (hostiarum). 
Ad te, tot U, - object van het prædicaat in de accusativusvorm, bepaald door de præpositie ad (+ acc.): accusativus van richting.
Het begrip oblatio komt uiteraard frequent voor in de ‘orationes super oblata’, de gebeden over de offergaven. Evenals hostia, -æ, f., donum, i, n. en munus, eris, n. verwijst het naar de gaven die voor de H. Eucharistie worden geofferd, naar het Eucharistische gebed zelf, of naar de offerande. In combinatie met de genitivus subiectivus hostiarum kan men in dit geval denken aan de liturgische actio van het offeren, de offerande. Een parallel vinden we in het Gebed over de gaven van de Zevende zondag van Pasen (zondag tussen Hemelvaart van de Heer en Pinksteren): “Suscipe, Domine, fidelium preces cum oblationibus hostiarum”  en in dat van de Achttiende zondag door het jaar: “[…] hostiæ spiritalis oblatione suscepta..” na de offerande van deze  geestelijke offergave te hebben ontvangen.
De tekst van regel 1 verwijst naar het hemelse visioen van de aanbidding van het Lam dat de apostel Johannes zag (Apoc 5, 8): “En toen Hij [het lam]  het boek genomen had, vielen de vier dieren neer voor het Lam;  en ook de vierentwintig oudsten, elk met een citer in de hand en met gouden schalen vol reukwerk – dat zijn de gebeden van de heiligen”. Het gebruik van de præpositie cum in plaats van het nevenschikkende et, drukt uit hoezeer beide – preces et hostias) elementen bij elkaar horen.
Ad 2a
Ut  [ ] sacramentis magnæ pietatis aptemur:
Aptemur,  op-(zo-)dat wij geschikt worden gemaakt, - prædicaat van de finale/consecutieve bijzin dat een wens of mogelijkheid (ut) uitdrukt in de 1e persoon meervoud coniunctivi præsentis passivi.
Apto, vasthechten, - maken, passend maken,  aanpassen, maar ook voorbereiden, in orde brengen, klaar maken, meestal geconstrueerd met de dativusvorm  en heeft dan ook betekenissen als geschikt maken voor, bekwamen tot, accomoderen, toepassen, dienstig maken, uitrusten met/voor.  Soms wordt de ablativusvorm gebruikt om datgene aan te geven waarmee / waardoor iets geschikt, passend wordt gemaakt of  is voorzien (ablativus instrumentalis). In het woordenboek zult u ook hebben gezien dat aptare/aptari en aptus ook gebruikt wordt in de context van het krijgsbedrijf: aptus exercitus, gereed voor de strijd, en se aptare pugnæ, zich uitrusten voor de strijd.
Sacramentis: bijwoordelijke bepaling op te splitsen in de dativusvorm meervoud van het substantivum sacramentum, vergezeld van twee congruerende genitivusvormen magnæ pietatis: genitivus explicativus. Het meervoud sacramentis zou begrepen kunnen worden als de sacrale rites waarin en waardoor God zijn heilseconomie uitwerkt: slechts door Gods liefdevolle tegemoetkoming gezuiverd kunnen wij geschikt worden gemaakt voor de ‘sacramenten’: de viering van het H. Misoffer zelf en het nuttigen van de Offerspijs (H. Communie). Het begrip sacramenta laat zich derhalve vertalen met werkzame, effectieve riten waardoor de innerlijke herschepping van de christelijke ziel voortgang vindt. De oratie bidt dus als effect van de gebeden die naar God opstijgen  een participeren in een sacraal mysterie dat de kracht bezat ons te transformeren omdat het ons meer doet delen in de Paasgeheimen van Christus:  Zijn Lijden, Sterven en Verrijzen.
Ad 2b
In deze ondergeschikte bijzin is mundati, een participium perfecti passivi, m. meervoud, een bijstelling bij het subject wij van aptemur. Tua dignatione, door Uw liefdevolle nederdaling, lett.: door Uw gewaardiging: bijwoordelijke bepaling in twee congruerende ablativusvormen: ablativus causæ die een oorzaak aanduidt of ablativus instrumentalis die het middel waarmee uitdrukt.     
V o c a b u l a r i u m
Ascendo, accendi, ascensum, 3, op iets stijgen, op iets klimmen, opstijgen, beklimmen. Verwante substantiva: ascensio, -onis f.,  het opstijgen, het opklimmen en ascensus, -us m., het opstijgen, het bestijgen, het beklimmen, en in metonymische zin (betekenisverschuiving): de plaats waar men opstijgt, toegang, opgang, hoogte.  
In de genealogie zijn de ‘ascendentes’, - ium, m., de aanverwanten in opgaande lijn en de descendentes de afstammelingen.
In het Credo wordt van Christus beleden als sluitstuk van de paasmysteries: “[…] et ascendit in cælum, sedet ad dexteram Patris”- Hij is opgevaren ten hemel, zit aan de rechterhand van de Vader.
Het hoogfeest van de Hemelvaart van Christus dat de Kerk de volgende week viert staat op de Romeinse kalender genoteerd als ‘In  Ascensione Domini’ [te lezen als] de liturgische teksten bij het hoogfeest van de Hemelvaart van de Heer. ‘Christi Filii tui ascensio est nostra provectio’ – De Hemelvaart van Christus Uw Zoon is [ook] onze verheffing, zegt het Collectegebed van genoemd hoogfeest.
Dignatio, - onis f. , substantivum bij het deponente verbum dignor, dignatus sum  met betekenissen betekent in actieve zin de achting die men iemand toedraagt, de erkenning van iemands waarde en in passieve zin de achting die men geniet, de gunst waarin men staat.
In de liturgie betekent het begrip op God toegepast: een welwillend zich gewaardigen, zich minzaam neerbuigen, in liefdevolle goedheid afdalen. Vergelijk de lof tot God op onze verlossing in het Exsultet, de paasjubelzang aan het begin van de Paasvigilie: “O mira circa nos pietatis dignatio. O inæstimabilis dilectio caritatis ut servum redimeres, Filium tradidisti” – O hoe wondervol  is de afdaling van uw liefde  jegens ons.  O onwaardeerbare liefdesuiting: om de slaaf vrij te kopen hebt Gij de Zoon prijsgegeven.
Het begrip dignatio moet niet worden verward met het substantivum dignitas, -atis f. dat betekenissen heeft als het waardig zijn, de waarde, verdienste, bijvoorbeeld laudare aliquem pro dignitate: iemand vanwege zijn verdienste prijzen (Cicero); dignitas consularis, de waardigheid van het ambt van consul. In metonymische zin (betekenisverschuiving): 1.  uiterlijke waardigheid, uiterlijk eer, achting, rang, aanzien, bijv., altus dignitatis gradus, hoge rang (van waardigheid) en 2. innerlijke waarde, eerwaardigheid, bijv. agere cum dignitate, met waardigheid handelen; dignitatem servare, [zijn] waardigheid bewaren; res non habet dignitatem de zaak komt niet met de waardigheid overeen  (Cicero). Het meervoud dignitates betekent ereambten
Pietas, - atis, f. : ook pietas kent een dubbele beweging: de natuurlijke liefde van de vader / de moeder voor hun kinderen en de respectvolle wederliefde van de kinderen voor hun ouders (piëteit) als ook de liefdevolle bejegening van de naasten.
Binnen de antieke Romeinse godencultus was “Pietas” een personificatie van de liefde tot de mensen en van de Romeinse deugd Pietas, de staat en de eerbied voor de goden (vroomheid). Pietas bevatte 3 elementen: geloof in de goden, trouw aan het vaderland en respect voor de ouders. Pietas werd voorgesteld als voor een altaar staand, met de linkerarm in de hoogte geheven, terwijl zij in de rechterhand een offerschaal houdt, ofwel strekt zij met een omsluierd achterhoofd haar beide handen uit, alsof zij tot de goden bidt. Om haar betrekking tot de vrome liefde van kinderen voor hun ouders aan te duiden staat een ibis of een ooievaar aan haar voeten. Deze godin stond vaak afgebeeld op de keerzijde van Romeinse munten met vrouwen van de keizerlijke familie aan de voorzijde, daar pietas een passende deugd was voor keizerlijke vrouwen (bv. Flavia Maximiana Theodora). De keizerlijke vrouwen staan soms zelfs op de munten met het uiterlijk van de godin. 
Dit klassieke begrip kreeg een nieuwe christelijke betekenis in de relatie tussen Schepper-God-Vader en schepselen-mensen-kinderen en duidt de vaderlijke genegenheid en liefdevolle maar tegelijk gezaghebbende zorg van vader naar kind (en op deze wijze was het synoniem met misericordia en clementia) aan en omgekeerd de liefdevolle kinderlijke gehoorzaamheid met inbegrip van natuurlijke ontzag. Pietas is een van de zeven Gaven van de Heilige Geest (verg. KKK 733-736; Jes. 11,2) waardoor wij liefdevol en terecht dankbaar zijn ten opzichte van onze ouders, verwanten en medeburgers, en ook tegenover alle mensen voor zover zij God toebehoren of godvrezend zijn. Ten opzichte van de Moeder Gods en de Heiligen komen daar de aspecten van vrome verering en piëteit bij.  Kort samengevat “pietas” duidt op het vervullen van godsdienstige plichten. Op God toegepast echter, betekent pietas gewoonlijk Zijn genadige liefde jegens ons. In de oraties van het Romeins Missaal komt het substantivum komt in verbindingen als: pietatis tuæ clementia, pietas tua, pietas continua, immensa en ook als pleonasme: tuæ bonitatis pietas. 

C o m m e n t a a r
Inmiddels zijn vele gebeden over de offergaven op dit weblog aan de orde gekomen. Iedere keer wordt daarin de kern van ons geloof besproken. Christus is omwille van ons heil op aarde gekomen en heeft zijn aardse leven gegeven omwille van onze zonden.
Op Witte Donderdag herdenken wij de instelling van het Sacrament van de Heilige Eucharistie. Iedere keer als wij de Eucharistie vieren vindt het wonder plaats dat de gaven van brood en wijn, die wij offeren, door Gods genade veranderen in zijn Lichaam en Bloed.
Onze gebeden stijgen op tot God (opwaarts) en Gods genade daalt op ons neer (neerwaarts). Er is met ander woorden een wisselwerking. In de oratie van vandaag komen zowel de opwaartse beweging (onze gebeden stijgen op – ascendant) als de neerwaartse beweging (gezuiverd door Uw tot ons afdalende gewaardiging - tua dignatione mundati) fraai aan de orde.
Hierbij past ook het gebruik van wierook. Wierook drukt eerbied uit voor het mysterie van Gods aanwezigheid onder ons. Al voor de christelijke tijden werd wierook gebruikt, als middel om de goden gunstig te stemmen. In het antieke Kanaän werd wierook gebruik in de Baalsriten. In de Joodse tempeldienst bevond zich voor het gordijn van het Allerheiligste het rookofferaltaar waar ’s morgens en ’s avonds een rookoffer met wierook gebracht werd. Wierook en mirre worden in het Oude Testament vaak genoemd.
De vroege christenen wezen de goddelijke verering van de keizer af en werden daarom vervolgd. Wierook werd door hen alleen bij begrafenissen gebruikt. Doorslaggevend voor de invoering van wierook in de christelijke kerkdiensten was de reorganisatie van de kerkleiding door keizer Constantijn.
De geurende rook van de smeulende wierookhars wordt tijdens de mis in de katholieke en orthodoxe kerk sinds ca. 500 n.Chr. tot heden vanuit wierookvaten verspreid als symbool voor het ten hemel opstijgende gebed. Het gaat dan meestal om een mengsel van wierook en andere rookmiddelen b.v. benzoë, mirre, galbanum, zistrose, styrax, laurier enz.
Wanneer tijdens de uitvaartliturgie een overledene bewierookt wordt, verwijst dat naar de opname van de overleden in het mysterie van God. Ook bewieroken we de Bijbel, de offergaven van Brood en Wijn en soms zelfs de mensen die in de kerk zijn. “Laat onze gebeden en offergaven tot U komen; maak ons in uw goedheid vrij van zonden”. God is bij ons!

De H. Anselmus over Maria


“Maria, Gij zijt degene die mijn hart wil beminnen
Gij zijt degene die mijn mond vurig verlangt te loven”

Saint Augustine (354-430) Prayer to the Holy Spirit

Breathe in me, O Holy Spirit,
That my thoughts may all be holy.
Act in me, O Holy Spirit,
That my work, too, may be holy.
Draw my heart, O Holy Spirit,
That I love but what is holy.
Strengthen me, O Holy Spirit,
To defend all that is holy.
Guard me, then, O Holy Spirit,
That I always may be holy.

dinsdag 16 mei 2017

Liturgia Horarum H. Cyrillus, bisschop van Alexandrië Ik ben de wijnstok, gij de ranken.

Uit het commentaar van de heilige Cyrillus, bisschop van Alexandrië († 444), op het evangelie van Johannes

Ik ben de wijnstok, gij de ranken.

De Heer wil ons aansporen vast te houden aan zijn liefde en aantonen hoe nuttig het is aan Hem gehecht te zijn. Daartoe gebruikt Hij een beeld; Hij noemt zichzelf een wijnstok en Hij noemt de mensen die met Hem verenigd zijn, de ranken. Zij zijn als het ware in Hem geënt en vastgehecht, omdat ze reeds door de gave van de Geest deelgenoten zijn geworden aan zijn natuur. Het is immers de heilige Geest van Christus de Verlosser die ons met Hem verenigt.
De band die de mens met de wijnstok verbindt, komt uit een vrije daad van de wil; maar de eenheid die erdoor ontstaat tussen ons en de wijnstok, is blijvend. Het is vrijwillig dat we het besluit hebben genomen om ons bij de wijnstok aan te sluiten, maar we zijn van Christus’ geslacht geworden, omdat we van Hem de gave van het goddelijk kindschap hebben ontvangen. Volgens de heilige Paulus ‘is wie zich met de Heer verenigt, één geest met Hem’ (1 Kor. 6, 17).
Op andere plaatsen wordt Christus door de profeten ‘voetstuk’ en ‘fundament’ genoemd, omdat wij op Christus gebouwd worden (vgl. Ef 2, 20-22), en worden wij ‘levende en geestelijke stenen’ genoemd, opgebouwd ‘tot een heilige priesterschap in de Geest’ (1 Petr. 2, 5). Dit kan slechts gezegd worden, wanneer Christus voor ons het fundament is. Het is in dezelfde betekenis dat Christus zich hier een wijnstok noemt, omdat de wijnstok als het ware de oorsprong en het voedsel is van de ranken die uit Hem ontspruiten.
We zijn immers uit Christus geboren om in Hem, met de Geest, vruchten voort te brengen die leven geven: niet het oude leven van eertijds, maar een nieuw leven in geloof en liefde voor Hem. We blijven in het bestaan, omdat we, als het ware, één natuur geworden zijn met Hem; omdat we ons houden aan het heilige gebod dat ons werd overgeleverd en omdat we de rijkdom van onze adel moeten bewaren en de Geest van God die in ons woont en waardoor God in ons geacht wordt te wonen, niet mogen bedroeven (vgl. Ef. 4, 30).
Dat we in Christus wonen toont ons de wijze apostel Johannes als hij zegt: ‘Hieraan weten wij dat wij in Hem blijven en Hij in ons: dat Hij ons van zijn Geest heeft gegeven’ (1 Joh. 4, 13).
Zoals de wortel van de wijnstok zijn heerlijke levenskracht aan de ranken meedeelt, zo maakt het eniggeboren Woord van God de heiligen verwant met de natuur van God de Vader en van zichzelf door hun de Geest te schenken, daar ze reeds één geworden zijn met Hem door het geloof en door een volstrekte heiligheid. En Hij geeft hun voedsel om vroom te worden en schept in hen de kennis van alle deugden en van alle goede werken.

Marialiederen: Segne, du, Maria