zaterdag 24 juni 2017

Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven” 12e zondag per annum / door het jaar

Christus ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie
Om U onze liefde aan te bieden als een gave die U aangenaam is.

I n l e i d i n g

Het sleutelwoord ‘sacrificium’ in het Gebed over de gaven van deze zondag belicht het verzoenende karakter van het ene en volmaakte Offer van Christus, geactualiseerd in het Misoffer hier en nu. Het Eucharistisch offer is immers eveneens een offer van verzoening, vrede bewerkend tussen God en degenen die het offer opdragen. Teneinde deze vrede zo volmaakt mogelijk te doen zijn, zuivert het ook degenen die offeren, van zonde en oriënteert hun geest en hart opnieuw op God.
De Vader wil door dit Offer verzoend (placatio) en verheerlijkt (laus) worden. Daarom vraagt de oratie allereerst dat het offer wordt aanvaard.
Aan deze eerste bede wordt een tweede toegevoegd: gereinigd door de werkzaamheid van dit heilige Offer, willen ook de gelovigen zelf God hun liefde aanbieden. En daar zijn genade dat slechts kan geven vraagt de oratie hierom. Het Offer van Christus is eens en voor altijd aanvaard: Hij is derhalve voor altijd gezeten aan de rechterhand van God, na slechts één enkel Offer voor de zonden te hebben gebracht en zo heeft Hij in hen die Hij heiligt een blijvende volkomenheid bewerkt (vgl. Hebr 10, 12.14). De bede om aanvaarding belicht derhalve het aspect dat het Eucharistische Offer, in Christus, door Hem en met Hem, ook als een van ons afkomstig Offer door de Vader wordt aangenomen. Dat gaat echter niet zonder dat gelijktijdig het offer van onze liefde wordt aanvaard, een liefde die door de kracht van het liturgisch offer gereinigd is en de bezieling vormt God door een welgevallige levenswandel waardig te dienen.

T e k s t
Missale Romanum – 1970
Suscipe, Domine, sacrificium placationis et laudis,
et præsta, ut, huius operatione mundati,
beneplacitum tibi nostræ mentis offeramus affectum.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie – 1979
Heer, aanvaard dit offer van verzoening en aanbidding,
en zuiver ons door deze viering,

Werkvertaling
Aanvaard, Heer, dit offer van verzoening en lof,
en geef, dat wij, gezuiverd door de werking van dit offer,
U een zielsgesteltenis aanbieden die U welgevallig is.

L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
Het Gebed over de gaven van vandaag is de Secreta van het misformulier van zaterdag na Aswoensdag in het Romeins Missaal, zowel in de editie van 1962 als van 1970. Elementen van deze oratie zijn te vinden in het Sacramentarium Leonianum (Verona, Kapittelbibl. LXXXV; 2e helft 6e eeuw) en in het Sacramentarium Gelasianum Vetus (Vat. reg. lat. 316, eerste helft 8e eeuw), namelijk in het laatste in het misformulier van zondag Quinquagesima en voor de Quatertemperdagen in december.
(Zie: E. Moeller, J.M. Clément en B. Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum, IX, S-V, Brepols, Turnhout 1996, nr. 5785 abc, p. 125-127.

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l f i g u r e n
1. Suscipe, Domine, sacrificium placationis et laudis,
2a. et præsta, 2b. ut, 3. huius operatione mundati,
beneplacitum tibi nostræ mentis offeramus affectum.

Het Gebed over de gaven bestaat uit een enkele zin, verdeeld over twee halfzinnen verbonden door de coniunctie et. In beide halfzinnen staat het prædicaat in de imperativusvorm waarmee de Heer, Domine, wordt aangesproken. De tweede halfzin bevat een finale/consecutieve bijzin ingeleid door het voegwoord ut met het prædicaat offeramus in de coniunctivusvorm vanwege het wens-, gebedskarakter. Deze bijzin wordt onderbroken door de tussenzin huius operatione mundati, waarbij voor het prædicaat mundati het subject ontleend wordt aan het in het prædicaat offeramus opgesloten subject (wij).
Kern van de oratie is dat het offer zelf de God welgevallige zielsgesteltenis bewerkt waarmee het offer wordt/zou moeten worden aangeboden.

Ad 1
Suscipe, aanvaard, neem aan, - prædicaat van de hoofdzin in de imperativusvorm dat zich richt tot God de Vader, Domine, anaklese in de vocativusvorm. Suscipe > suscipere, suscepi, susceptum, 3, wordt frequent gebruikt in de Gebed over de gaven in de Tijd door het Jaar  alsook in de bijzondere liturgische tijden, zoals Advent, Vasten en Paastijd. De imperativusvorm Suscipe vraagt God de gaven, het offer en de lof van de Kerk te aanvaarden. Dit is de eerste bede.
Sacrificium placationis et laudis, het offer van verzoening en lof – object van het prædicaat suscipe met sacrificium in de accusativusvorm vergezeld van twee genitivusvormen, die het substantivum sacrificium nader specificeren: genitivus explicativus.
De openingszin bevat alliteratie van de s: suscipe..sacrificium en klank-/eindrijm bij placationis en laudis.
Ad 2a-2b
et præsta, en verleen, geef - een tweede prædicaat in de imperativusvorm, gericht tot Domine van r. 1., gevolgd door een finale/doelaanwijzende resp. consecutieve/gevolghebbende bijzin ingeleid door het voegwoord ut die als object van de tweede bede gelezen kan worden.
Ut…offeramus, op-/zodat wij mogen offeren – 1e persoon pluralis van de coniunctivusvorm præsentis activi van het verbum offerre, obtuli, oblatum 3., met betekenissen 1. brengen of dragen vóór, tegemoet dragen 2. tegemoet gaan, zich vertonen 3. aanbieden, aanbrengen 4. offeren, opofferen. De coniunctivusvorm kan in het licht van de voorafgaande tussenzin ook worden gelezen als een potentialis: slechts door een zo goed mogelijke zuivering kunnen de gaven van hen die offeren aan God worden aangeboden. Vergelijk de vele vindplaatsen in het boek Exodus waar Mozes de Joden oproept zich te reinigen alvorens met hun offers voor Jahweh te treden.
Beneplacitum tibi nostræ mentis […] affectum, een U aangename gesteltenis van ons gemoed – het object van het prædicaat offeramus, waarbij te onderscheiden: de congruerende accusativusvormen beneplacitum affectum vergezeld van de congruerende genitivusvormen nostræ mentis, een genitivus partitivus en tibi als bijwoordelijke bepaling in de dativusvorm (dativus commodi, van voordeel). Offeramus en affectum laten medeklinkerrijm zien.
Ad 3
Huius [sacrificii] operatione mundati, gezuiverd [zijnde] door de werking van dit [offer], tussenzin die informatie geeft over de gesteltenis van degenen die offeren. Mundati,  participium perfecti passivi 1e pers. pluralis,  congruerend met de in de persoonsvorm offeramus uitgedrukte 'wij'.  Operatione huius [sacrificii] , bijwoordelijke bepaling in de ablativusvorm die hier een oorzaak of middel aanduidt ablativus causæ/instrumentalis) vergezeld van de genitivusvorm huius (genitivus sing. onz. van het aanwijzende voornaamwoord hoc) die verwijst naar het antecedent sacrificium (r. 1). Huius is een bijvoeglijke bepaling. 
De congruerende adiectivum- en substantivumvormen beneplacitum… affectum vormen een hyperbaton (uiteenplaatsing).
De overheersende –u klank in deze oratie is opvallend: suscipe, sacrificium, ut, huius,  mundati, beneplacitum, offeramus, affectum.
Fraai is ook de herhaling van de klank pla- in placationis (r. 1) en beneplacitum (r. 2b).

V o c a b u l a r i u m
Placatio, -onis, vr. , verzoening, bevrediging, zoengeld, losprijs is een substantivumvorm van het verbum placare 1., dat betekent verzoenen, bevredigen, tot bedaren brengen, zich laten verzoenen. Het substantivum betekent ook handeling om God te verzoenen en is aldus synoniem met propitiatio dat ook erbarming en genade als betekenissen heeft. Een voorbeeld van placatio in de Secreta van de Liturgie voor de overledenen in MR 1962: “…maiestatem tuam suppliciter deprecantes: ut per hæc piæ placationis officia, pervenire mereatur ad requiem æternam”, laat hem/haar, terwijl wij uwe majesteit ootmoedig smeken, door deze dienst van vrome verzoening tot de eeuwige rust geraken.
Een enkel woord over het begrip mens, - tis. Dit betekent in de kern ‘geest’.  In bijbelse taal zijn hart en geest vaak onderling uitwisselbare begrippen. Het hart-geest concept kan verwijzen naar de hele persoon (pars pro toto).  In de dictionnaire van A. Blaise & A. Dumas OSB, Le vocabulaire Latin des principaux thèmes litugiques (Brepols, Turnhout, 1966) wordt onder het lemma mens opgemerkt:  “l’âme, l’esprit (opp. au corps)… ziel, geest (als tegengesteld aan lichaam”). Het begrip mens verwijst dus niet alleen naar het denkproces, maar ook naar het hart, de innerlijke gesteltenis, en wordt in de gebeden dikwijls vergezeld van de toevoeging pura of puris mentibus, munda, purificata, digna, secura, sincera, maar ook in een hieraan tegengestelde en versterkende combinatie “Dispersit superbos mente cordis sui”, trotsen van hart slaat Hij uiteen”, Lc 1. 51 (Magnificat).
Het Nederlandse woord ‘mens’ dat geen verband houdt met het Latijnse woord mens, gaat terug op het Indo-Germaanse stamwoord ‘man’.
Operatio, -onis vr. : substantivum bij het verbum operor, operatus sum, deponens, I, : 1. bezig zijn met 2. arbeiden, werken, werkzaam zijn 3. beschouwen. Dit interessante liturgisch begrip kwamen wij eveneens in combinatie van een vorm van het verbum mundare reeds tegen in het Gebed over de gaven van de 5e zondag van de Veertigdagentijd “ … et famulos tuos …. huius sacrificii tribuas operatione mundari”. Het  betekent in eerste instantie: het werken, werk, verrichting, arbeid, karwei, operatie. In antieke inscripties betekent het ook  “een religieuze verrichting, een godsdienstige plechtigheid, offerdienst. Christelijke auteurs gebruiken het ook in de betekenis van “weldadigheid, caritas”.
In de oraties, zoals ook hier, verwijst “operatio” vooral naar het theologisch concept van het innerlijke bovennatuurlijke effect van de liturgische handeling of  van het eucharistisch Sacrament. In de oratio super munera van de 4e zondag van Pasen wordt een ander facet belicht: “…ut continua nostræ reparationis operatio perpetuæ nobis fiat causa lætitiæ”, opdat/zodat het voortdurende werk van ons herstel voor ons oorzaak van eeuwige vreugde worde. Hier heeft operatio de betekenis van scheppend werk van God (operatio divina), als sacramentele handeling of sacramenteel effect.
Affectus, -us, m. is afgeleid van het compositum ad- of afficere, -feci, -fectum 3., te vertalen als ‘aandoen’. Om dit begrip goed te begrijpen moeten we ook kijken naar een andere afleiding van afficere, te weten het zelfstandig naamwoord affectio, onis vr.: met betekenissen stemming, gemoedsgesteltenis, genegenheid - dynamisch begrip, mogelijk aan verandering onderhevig - terwijl het begrip ‘habitus’ wijst op een bestendige houding. 
De Romeinse schrijver en taalkundige Aulus Gellius (2e eeuw) gebruikte het woord affectus als vertaling van het Griekse woord ‘pathos’.
Terugkerend naar het Latijn, schrijven Blaise & Dumas voor affectus: sentiment, gesteltenis, aandoening. In de aanhef van de Preces van de Vespers van maandag in de derde week van het Psalterium wordt het substantivum affectus gebruikt in combinatie met het adiectivum sincerus: “Ideo eum (= Christum] sincero animi affectu exoremus”, laten wij Hem smeken met vertrouwvol hart. De genitivusvorm animi is synoniem voor mentis en verleent een extra nadruk aan het begrip sincero affectu.

Beneplacitum, -i, onz.: genoegen, tevredenheid. Als substantivum samengesteld uit bene en placitum behoort dit woord veeleer tot de liturgische taal als tot het algemeen Christelijke Latijn: “Dirige actus nostros in beneplacito tuo”, richt onze handelingen overeenkomstig Uw welbehagen (Collectegebed zondag onder het octaaf van Kerstmis, MR 1962). B & D zegt dat beneplacitum het welbehagen betekent dat God schept in iets wat Hij doet, wij doen of hoe wij zijn: “secundum beneplacitum voluntatis suæ”, overeenkomstig het welbehagen van Zijn wil, Ef 1, 5. Het bijvoeglijke naamwoord beneplacitus, -a, -um, aangenaam – wordt gebruikt in de oratie van vandaag.
In plaats van de samengestelde adiectivumvorm beneplacitus gebruikt het Sacramentarium van Verona altijd bene placitus.

Voor een goed begrip van de oratie en met name voor de context van het begrip beneplacitus is het goed onderstaande passage uit de Brief van Sint Paulus aan de Efeziërs (1, 3-10) te bestuderen:

Gezegend is God, de Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons in de hemelen in Christus
heeft gezegend met elke geestelijke zegen.
In Hem heeft Hij ons uitverkoren vóór de grondlegging der wereld,
om heilig en vlekkeloos te zijn voor zijn aangezicht.
In liefde heeft Hij ons voorbestemd zijn kinderen te worden door Jezus Christus,
naar het welbehagen van zijn wil (secundum beneplacitum voluntatis suæ),
tot lof van de heerlijkheid van zijn genade.
Hiermee heeft Hij ons begiftigd in de Geliefde,
in wie wij de verlossing hebben door zijn bloed, de vergiffenis van de zonden,
dank zij de rijkdom van zijn genade.
Die heeft Hij ons meegedeeld
als een overvloed van wijsheid en inzicht.
Want Hij heeft ons zijn geheim raadsbesluit doen kennen,
de beslissing die Hij in Christus had genomen
ter verwezenlijking van de volheid van de tijden:
het heelal in Christus onder één Hoofd te brengen,
alle wezens in de hemelen en alle wezens op aarde, in Hem.

G e t u i g e n i s  v a n  d e  V a d e r s
H. Augustinus
Wilt Gij God behagen? Dat moet ge leren inzien, wat ge bij u zelf moet doen om God met u te verzoenen. Let goed op dezelfde psalm [50 (51)], want daar leest men: Want hadt Gij een offergave gewild, dan had ik U ze zeker gebracht; in brandoffers hebt Gij geen behagen. Dus zult ge maar zonder offer zijn? Dus niets offeren? Met geen offergave God willen verzoenen? Wat hebt ge daar gezegd? Had Gij een offergave gewild, dan had ik ze U zeker gegeven; in brandoffers hebt Gij geen welbehagen. Lees verder, luister en zeg: Een offer voor God is een vermorzelde geest; een vermorzeld en vernederd hart wordt door God niet versmaad. Door weg te werpen, wat ge wilde brengen, hebt ge het juiste gevonden om te offeren. Immers, bij uw vaderen offerde men offers van vee, en dat werden offergaven genoemd. Als Gij een offergave had gewild, dan had ik ze U zeker gebracht. Dat soort offers vraagt Gij dus niet, en toch vraagt Gij een offer.
In brandoffers hebt Gij geen behagen, zegt de Schrift. Maar als Gij U dan niet verheugt over brandoffers, zult Gij dan zonder offers blijven? Dat zeker niet. Een offer voor God is een vermorzelde geest; een vermorzeld en vernederd hart wordt door God niet versmaad. Hier hebt ge, wat ge kunt offeren. Ge behoeft uw kudde niet nauwkeurig te monsteren, geen schapen klaar te maken en door te dringen tot de uiterste landstreken om er reukwerken weg te halen. Zoek in uw eigen hart wat God aangenaam is. Dat hart moet zich vermorzelen. Wat vreest ge, dat zo’n vermorzeld hart zal omkomen? Hier hebt ge het: God, schep in mij een zuiver hart. Maar om te bewerken, dat uw hart tot een zuiver hart wordt herschapen, moet het onreine erin vermorzeld worden. Laten wij aan onszelf mishagen, wanneer wij zondigen, omdat de zonden aan God mishagen. Maar omdat wij niet zonder zonde zijn, laten wij dan hierin minstens op God gelijken, dat hetgeen Hem mishaagt, ook ons mishaagt. Dan zijt gij tenminste in één opzicht met Gods Wil verenigd, omdat datgene, wat u in u zelf mishaagt, ook Hém mishaagt, die u gemaakt heeft.
S. Augustini Sermo 19, 2-3; CCL 41,252-254
What sacrifice can I offer to God that is worthy of his mercy? Shall I look for a victim from among my herds? No, I will freely offer a sacrifice of praise. Freely: for his sake alone, not for any other reason. If you praise him for anything else you do not praise him freely. Understand what I mean: suppose you praise God so that he may make you rich. If your riches could be acquired any other way, you would not praise him. By all means ask him for what you will profit you for all eternity, but love and praise him for himself alone. “Praise his name for he is good”- not for any other reason. Remember God does not ask of us anything he has not already given us. He does not say: “Look at your fields and herds and see what you can offer me as a holocaust”. A holocaust is an offering wholly consumed by fire, and love itself is a blazing fire. When the soul is on fire with the love of God it draws the whole man to its purpose, leaving no room for lesser loves. If you want to offer him the holocaust of which he has said, “It is ever before my eyes”, be ablaze with divine love, thanking him for forgiving you whatever is evil.
(S. Augustini Enarr. in ps 53,10; in Ps 49,15)
H. Irenæus van Lyon
De offergave van de Kerk, die de Heer in heel de wereld beval op te dragen, wordt door God als een zuiver Offer beschouwd en is Hem aangenaam; niet omdat hij van ons een offer nodig heeft, maar omdat hij, die offert, zelf geëerd wordt in dat, wat hij offert, als zijn gave wordt aanvaard. Want door ons geschenk aan een koning tonen wij hem onze eer en genegenheid; de Heer nu wil, dat wij in alle eenvoud en onschuld Hem ons offer brengen, als Hij zegt: “Als gij uw gave komt brengen naar het altaar, en daar schiet u te binnen, dat uw broeder iets tegen u heeft, laat dan uw gave voor het altaar achter, ga u eerst met uw broeder verzoenen en kom dan terug om uw gave aan te bieden”.
Men moet God dus de eerstelingen van zijn schepping offeren, zoals ook Mozes zegt: “Ge moogt niet met lege handen voor de Heer, uw God, verschijnen”; waar de mens zijn dankbaarheid toont, is dit aan God welgevallig en ontvangt hij die eer, die van God komt.
Wij moeten God ons offer brengen en op elk punt dankbaar bevonden worden jegens God onze Schepper; in onze zuivere bedoeling, in geloof zonder huichelarij, in een vast vertrouwen, in een vurige liefde Hem de eerstelingen van zijn schepping offerend. En dat zuivere offer brengt alleen de Kerk aan de Schepper, als zij Hem met dankzegging uit zijn eigen schepping een offer brengt.
 (Adversus hæreses / Tegen de ketters, Lib 4, 18, 1-2.: SChr. 1000, 596-598)
Origines
Wij, die de Schepper van dit heelal dankzeggen, eten brood, dat onder gebeden en dankzegging is opgedragen, brood, dat door dat gebed wordt tot een zeker heilig Lichaam, dat heiligheid schenkt aan degenen die het in goede gesteltenis nuttigen.
(Contra Celsum, VIII, 33)

Lezingen H. Mis 12e zondag door het jaar

Eerste lezing (Jer. 20, 10-13)
Uit de profeet Jeremia.
Jeremia sprak:
“Ik hoor velen fluisteren:
Daar heb je ‘Ontzetting-overal’.
Breng hem aan.
Ja, we brengen hem aan.
Al mijn vrienden willen niets liever
dan mij ten val brengen.
Ze zeggen:
Misschien laat hij zich misleiden;
dan overmeesteren we hem
en kunnen we ons op hem wreken.
De Heer is bij mij als een machtig strijder.
Mijn achtervolgers vallen neer,
ze zullen niet overwinnen.
Ze worden diep beschaamd,
nooit bereiken ze iets.
Hun schande duurt eeuwig,
ze wordt nooit vergeten!.

"Heer van de hemelse machten, die alles rechtvaardig onderzoekt,
die hart en nieren doorgrondt,
laat mij zien hoe Gij U op hen wreekt.
Ik heb immers mijn zaak in uw handen gelegd.

Zingt een lied, een loflied voor de Heer,
want Hij heeft het leven van de arme
uit de macht van de boosdoeners gered.”

Tweede lezing (Rom. 5, 12-15)
Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Rome.
Broeders en zusters,
Door één mens is de zonde in de wereld gekomen
en met de zonde de dood;
en zo is de dood over alle mensen gekomen,
aangezien allen gezondigd hebben.
Er was immers reeds zonde in de wereld,
vóór de wet er was.
Maar zonde wordt niet aangerekend,
waar geen wet is.
Toch heeft de dood als koning geheerst
in de tijd van Adam tot Mozes,
dus ook over hen,
die zich niet op de wijze van Adam schuldig hadden gemaakt
aan de overtreding van een gebod.
Adam nu is het beeld van Hem, die komen moest.
Maar de genade van God
laat zich niet afmeten naar de misstap van Adam.
De fout van één mens bracht allen de dood,
maar God schonk allen rijke vergoeding
door de grote gave van zijn genade:
de ene mens, Jezus Christus.

Evangelie (Mt. 10, 26-33)
In die tijd zei Jezus tot zijn apostelen:
“Weest niet bang voor de mensen.
Niets is bedekt of het zal onthuld,
niets verborgen of het zal bekend worden.
Wat Ik u zeg in het duister, spreekt dat uit in het licht,
en wat ge u in het oor hoort fluisteren,
verkondigt dat van de daken.
Weest niet bevreesd voor hen, die wel het lichaam kunnen doden
maar niet de ziel;
vreest veeleer Hem,
die èn ziel èn lichaam in het verderf kan storten in de hel.
Verkoopt men niet twee mussen voor een stuiver?
En toch zal buiten de wil van uw Vader
niet één mus op de grond vallen.
Bij u echter is zelfs iedere haar van uw hoofd geteld.
Weest dus niet bevreesd;
gij zijt toch meer waard dan een zwerm mussen.
Ieder die Mij bij de mensen belijdt,
zal ook Ik als de mijne erkennen bij mijn Vader, die in de hemel is.
Maar ieder die Mij zal verloochenen tegenover de mensen,
zal ook Ik verloochenen
tegenover mijn Vader die in de hemel is.”

Lezingenofficie 12e zondag door het jaar

12e zondag door het jaar  Liturgia Horarum

Lezingen van het lezingenofficie

Augustinus leest Paulus
Detail van de Storie di Sant’Agostino van Benozzo Gozzoli (1420-1497) in de Sant’Agostino in San Gimignano. In 1463 werd Benozzo Gozzoli door Fra Domenico Strambi, prior van het Augustijnse convent in San Gimignano, gevraagd om de kloosterkerk aldaar te decoreren, de huidige Sant’Agostino. De Storie, het Heiligenleven van Sint Augustinus, bestaat uit 17 fresco’s.

Eerste lezing   Sam 16, 1-13

David door Samuel gezalfd  1 Sam 16, 1-13

De Heer vroeg aan Samuel: ‘Hoe lang blijf je nog treuren om Saul, die ik als koning van Israël verworpen heb? Kom, vul je hoorn met olie en ga voor mij naar Isaï in Betlehem, want een van zijn zonen heb ik als koning uitgekozen.’ ‘Hoe kan ik dat nu doen?’ wierp Samuel tegen. ‘Saul zal me vermoorden als hij het hoort.’ De Heer antwoordde: ‘Neem een jonge koe mee en zeg dat je bent gekomen om de Heer een offer te brengen. Nodig Isaï uit voor het offermaal, dan zal ik je laten weten wat je doen moet. Wie ik je aanwijs, die moet je voor mij zalven.’ Samuel deed wat de Heer had gezegd. Toen hij in Betlehem aankwam, kwamen de oudsten van de stad hem ongerust tegemoet en vroegen: ‘Uw komst is toch geen slecht teken?’ ‘Wees gerust,’ antwoordde Samuel. ‘Ik ben gekomen om de Heer een offer te brengen. Reinig u en neem met mij deel aan het offermaal.’ Ook Isaï en zijn zonen nodigde hij uit, en aan hen voltrok hij persoonlijk de reiniging. Bij hun aankomst viel zijn oog meteen op Eliab, en hij zei bij zichzelf: Hij die daar klaarstaat is vast en zeker degene die de Heer wil zalven. Maar de Heer zei tegen Samuel: ‘Ga niet af op zijn voorkomen en zijn rijzige gestalte. Ik heb hem afgewezen. Het gaat niet om wat de mens ziet: de mens kijkt naar het uiterlijk, maar de Heer kijkt naar het hart.’ Toen riep Isaï Abinadab en stelde hem aan Samuel voor, maar die zei: ‘Ook hem heeft de Heer niet gekozen.’ Isaï stelde Samma voor, maar weer zei Samuel: ‘Ook hem heeft de Heer niet gekozen.’ Zo stelde Isaï zijn zeven zonen aan Samuel voor, maar telkens zei Samuel dat dit niet degene was die de Heer gekozen had. ‘Zijn dit alle zonen die u hebt?’ vroeg hij. ‘Nee,’ antwoordde Isaï, ‘de jongste is er niet bij, die hoedt de schapen en de geiten.’ Toen zei Samuel tegen Isaï: ‘Laat hem hier komen. We beginnen niet aan de maaltijd voordat hij er is.’ Isaï liet hem halen. Het was een knappe jongen met rossig haar en sprekende ogen. En de Heer zei: ‘Hem moet je zalven. Hij is het.’ Samuel nam de hoorn met olie en zalfde hem te midden van zijn broers. Van toen af aan was David doordrongen van de geest van de Heer. Daarna vertrok Samuel weer naar Rama.

Uit het Tractaat over ‘De Drieëenheid’ van de Luciferaan Faustinus, priester
(Nn. 39-40: CCL 69, 340-341)

Christus, Koning en Priester in eeuwigheid

Onze Verlosser werd werkelijk naar het vlees de Gezalfde, als werkelijke Koning en werkelijke Priester: Hij was beide tegelijk, opdat er niets in de Verlosser zou ontbreken. Hoor dan ook, dat Hij zelf Koning is geworden, daar Hij zegt: Ik echter ben door Hem als koning aangesteld op Sion, mijn heilige berg. En hoor ook, dat Hij Priester is volgens het getuigenis van de Vader: Gij, zijt Priester in eeuwigheid naar de orde van Melchisedek. Aäron werd in de Wet het eerst priester door de zalving met olie; en toch wordt er niet gezegd ‘volgens de orde van Aäron’, om te voorkomen dat men zou geloven, dat het Priesterschap van de Verlosser door opvolging kan worden verkregen. Want het priesterschap van Aäron bleef bij opvolging; maar dit van de Verlosser wordt niet voortgezet door opvolging op een ander, omdat Hij altijd Priester blijft, naar het woord van de Schrift: Gij zijt Priester in eeuwigheid naar de orde van Melchisedek.

De Verlosser is dus naar het vlees én Koning én Priester, niet lichamelijk maar geestelijk gezalfd. Want bij de Israëlieten werden hun koningen en priesters lichamelijk gezalfd. Er waren koningen en priesters: niet beide functies in een persoon, maar iemand was of koning of priester. Alleen in Christus echter moet in alles de volmaaktheid en de volheid aanwezig zijn; Hij kwam om de Wet te vervullen.

Hoewel nu een enkele persoon niet beide functies bezat, werden toch degenen, die met de olie voor de koningen of voor de priesters lichamelijk gezalfd werden, gezalfden genoemd. Maar de Verlosser, die in waarheid de Gezalfde is, werd door de Heilige Geest gezalfd, opdat vervuld zou worden wat over Hem geschreven stond: Daarom heeft Jahweh, uw God, U gezalfd met vreugde-olie als geen van uw broeders. Want daarom werd Hij, meer dan zijn broeders met dezelfde naam, gezalfd, omdat Hij gezalfd werd met de olie der vreugde, waarmee niets anders werd aangeduid dan de Heilige Geest.

Dat dit zo is, weten wij door de Verlosser zelf. Want toen Hij het boek Jesaja nam en opende, las Hij: De Geest des Heren rust op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd; toen zei Hij voor zijn gehoor, dat die profetie was vervuld. Maar ook Petrus, het hoofd van de apostelen, leert dat de zalf, waardoor de Redder ‘de Gezalfde’ wordt genoemd de Heilige Geest is, ook de Kracht Gods genaamd, wanneer hij in de Handelingen der Apostelen tot de zeer trouwhartige en barmhartige man, die toen honderdman was, sprak. Want hij zei hem o.a.: Hoe Jezus van Nazaret zijn optreden begon na het doopsel, dat Johannes predikte, hoe God Hem gezalfd heeft met de Heilige Geest en met kracht. Rondgaande verrichtte Hij wondertekenen en grote daden en bevrijdde allen, die door de duivel bezeten waren.

Ge ziet, dat ook Petrus zei, dat deze Jezus naar het vlees gezalfd was met de Heilige Geest en met kracht. Vandaar, dat ook Jezus zelf waarlijk naar het vlees de Gezalfde werd, die door de zalving van de Heilige Geest én Koning én Priester werd in eeuwigheid.

Liturgy of the Hours Birthday of St John the Baptist The voice of one crying in the wilderness

Office of Readings

From a sermon by Saint Augustine

The voice of one crying in the wilderness

The Church observes the birth of John as in some way sacred; and you will not find any other of the great men of old whose birth we celebrate officially. We celebrate John’s, as we celebrate Christ’s. This point cannot be passed over in silence, and if I may not perhaps be able to explain it in the way that such an important matter deserves, it is still worth thinking about it a little more deeply and fruitfully than usual.
  John is born of an old woman who is barren; Christ is born of a young woman who is a virgin. That John will be born is not believed, and his father is struck dumb; that Christ will be born is believed, and he is conceived by faith.
  I have proposed some matters for inquiry, and listed in advance some things that need to be discussed. I have introduced these points even if we are not up to examining all the twists and turns of such a great mystery, either for lack of capacity or for lack of time. You will be taught much better by the one who speaks in you even when I am not here; the one about whom you think loving thoughts, the one whom you have taken into your hearts and whose temple you have become.
  John, it seems, has been inserted as a kind of boundary between the two Testaments, the Old and the New. That he is somehow or other a boundary is something that the Lord himself indicates when he says, The Law and the prophets were until John. So he represents the old and heralds the new. Because he represents the old, he is born of an elderly couple; because he represents the new, he is revealed as a prophet in his mother’s womb. You will remember that, before he was born, at Mary’s arrival he leapt in his mother’s womb. Already he had been marked out there, designated before he was born; it was already shown whose forerunner he would be, even before he saw him. These are divine matters, and exceed the measure of human frailty. Finally, he is born, he receives a name, and his father’s tongue is loosed.
  Zachary is struck dumb and loses his voice, until John, the Lord’s forerunner, is born and releases his voice for him. What does Zachary’s silence mean, but that prophecy was obscure and, before the proclamation of Christ, somehow concealed and shut up? It is released and opened up by his arrival, it becomes clear when the one who was being prophesied is about to come. The releasing of Zachary’s voice at the birth of John has the same significance as the tearing of the veil of the Temple at the crucifixion of Christ. If John were meant to proclaim himself, he would not be opening Zachary’s mouth. The tongue is released because a voice is being born – for when John was already heralding the Lord, he was asked, Who are you and he replied I am the voice of one crying in the wilderness.
  John is the voice, but the Lord in the beginning was the Word. John is a voice for a time, but Christ is the eternal Word from the beginning.

June 24 Birthday of St John the Baptist

St John the Baptist

Apart from Mary and Joseph, John the Baptist is the only saint in the calendar who has two feasts to himself. One, in August, celebrates his death, and one, in June, celebrates his birth. And this is as it should be, for as Christ himself said, John was the greatest of the sons of men.
  The greatest, but also the most tragic. A prophet from before his birth, leaping in the womb to announce the coming of the incarnate God, his task was to proclaim the fulfilment of all prophecies – and thus his own obsolescence. And he did it: with unequalled courage he spread the news that he, the greatest of all men, was the least in the kingdom of heaven. His disciples, and the devil, would have preferred him to fight, to build his sect, to defeat this upstart whom he himself had baptized, to seize his place in history. But he did not – and so, rightly, he has his place, and he has glory in heaven.
  We envy the great and the talented, and sometimes we think that they themselves are beyond envy. But when they come across someone with greater gifts, as one day most of them will, they will see for the first time what it means to feel like us. Let us pray that they, like John the Baptist, may pass that test.

24 juni Martyrologium Romanum


Het hoogfeest van de geboorte van de heilige Johannes de Doper, de voorloper van de Heer, die reeds van vreugde opsprong in de schoot van zijn moeder, die vervuld was van de Heilige Geest, om de komst van het heil van de mensen. Hij kondigde ook door zijn geboorte zelf Christus de Heer aan. Er scheen zoveel genade in hem dat de Heer zelf over hem zei dat er niemand die uit vrouwen geboren werd groter was dan Johannes de Doper.

24 juni Hoogfeest Geboorte Sint Jan de Doper

Geboorte en naamgeving van Johannes de Doper
Barent Fabritius
Gesigneerd en onduidelijk gedateerd


Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas 1,57-66.80.

In die tijd brak voor Elisabet het ogenblik aan, dat zij moeder werd; zij schonk het leven aan een zoon.
Toen de buren en de familie hoorden, hoe groot de barmhartigheid was die de Heer aan haar had betoond, deelden zij in haar vreugde.
Op de achtste dag kwam men het kind besnijden en ze wilden het naar zijn vader Zacharias noemen. Maar zijn moeder zei daarop: 'Neen, het moet Johannes heten.'
Zij antwoord­den haar: 'Maar er is in uw familie niemand die zo heet.' Met gebaren vroegen zij toen aan zijn vader, hoe hij het wilde noemen. Deze vroeg een schrijftafeltje en schreef er op: 'Johannes zal hij heten.' Ze stonden allen verbaasd. Onmiddellijk daarop werd zijn mond geopend, zijn tong losgemaakt en verkondigde hij Gods lof. Ontzag vervulde alle omwonenden en in heel het bergland van Judea werd al het gebeurde rondverteld.
Ieder die het hoorde, dacht er over na en vroeg zich af: 'Wat zal er worden van dit kind?' Want de hand des Heren was met hem.

Het kind groeide op en de Geest beheerste hem meer en meer. Hij verbleef in de woestijn tot de dag, waarop hij zich aan Israel in het openbaar vertoonde.