zaterdag 1 mei 2021

Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven” Vijfde zondag van Pasen Als ingewijden in uw waarheid, een leven leiden dat u waardig is


Christus ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie
Als ingewijden in uw waarheid, een leven leiden dat u waardig is

I n l e i d i n g
Op donderdag onder het paasoctaaf sprak de Postcommunio van de “heilige uitwisseling van gaven die ons verlossing brengt.” In het Gebed over de gaven van deze zondag gaat het om de “vererenswaardige uitwisseling van dit offer”. Door deze ‘ruil’ laat God ons delen in het innerlijke leven van de ene en hoogste Godheid. Dit meest verheven denkbare goed is de tegengave van hetgeen de mensheid in het Offer van Christus heeft aangeboden: de enige Zoon van God, die ook in het Eucharistische Offer de Offergave zonder onderbreking is. Het Gebed over de gaven formuleert die onuitsprekelijke genade van onze verlossing, zoals die ons is geopenbaard: dat wij mogen delen in de goddelijke natuur: “Hij heeft ons begiftigd met kostbare, verheven beloften, opdat u, ontkomen aan het bederf en de zelfzucht van de wereld, deel zou hebben aan de goddelijke natuur” (2 Petr 1, 4). Op deze geopenbaarde waarheid bouwt de oratie voort: het is immers niet voldoende deze verheven waarheid te erkennen. Uiteraard stelt zij eisen aan onze manier van leven. Weliswaar is het delen in de goddelijke natuur ons in het Doopsel, toen wij echt kind van God werden, reeds geschonken. Maar deze gave moet door een christelijk leven, de Naam van Christus waardig en met verwerping van hetgeen niet aan die Naam beantwoordt, worden eigen gemaakt. Om die reden bidt de Kerk dat wij niet alleen kennis van de waarheid dragen, maar ook mogen verwerven wat zij belooft, namelijk in dit leven een werkzame, vruchtbare kennis van en liefde tot Christus, tegelijk met de genade minder te struikelen, en in de toekomst ruime toegang tot het eeuwige Koninkrijk van Jezus de Heer.

T e k s t
Missale Romanum – 1970
Deus, qui nos, per huius sacrificii veneranda commercia,
unius summæque divinitatis participes effecisti,
præsta, quæsumus,
ut, sicut tuam cognovimus veritatem,
sic eam dignis moribus assequamur.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie – 1979
Heer, door de heilige uitwisseling van gaven in dit offer
laat Gij ons delen in het ene, hoogverheven goddelijk leven.
Wij bidden U:
geef dat wij, als ingewijden in uw waarheid,
een leven leiden dat u waardig is.

Werkvertaling 
God, die ons, door de vererenswaardige uitwisselingen van dit offer
deelgenoot heeft gemaakt van de ene, allerhoogste Goddelijkheid,
verleen, vragen wij U
dat wij, [juist] zoals wij Uw waarheid kennis dragen van Uw waarheid
haar zo ook door een waardig leven mogen/kunnen verwerven.

L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
De brontekst van deze oratio super munera/oblata of oratio secreta gaat terug tot op het Sacramentarium Gelasianum Vetus, Vat. Reg. lat. 316, 553, - eerste helft achtste eeuw . Sindsdien werd deze oratie met minieme varianten in meer dan 48 codices overgeleverd en stond in deze codices genoteerd onder de rubrieken: Secreta van Dominica post Pascha, collectio <ad pacem> Vetus Gallicanum; Dominica Ia post oct. Paschæ seu IIa post Pascha; Dom. IIIa post octavam (clausum GelasV) Paschæ seu IVa post Pascha.
(Zie: E. Mœller, J.M. Clément en B. Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum, III, D, Brepols, Turnhout 1993, p. 97-98, nr. 1907 A en B-versie, Br 409).
In het Romeins Missaal 1962 had deze oratie als Secreta haar plaats in het misformulier van  zaterdag in de paasweek (MR 124).
Deze Secreta kreeg in de Novus Ordo van het Missale Romanum [MR 1970] haar plaats als Super oblata van de 5e zondag van Pasen, met andere woorden vandaag. De oratie is een zeldzaam voorbeeld van de gebeden die door alle hervormingen heen hun eigen plaats behielden. In MR 1962 is hetzelfde gebed ook de Secreta van de 18e zondag na Pinksteren en in MR 1970 ook dat van donderdag in de derde week van Pasen.

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l f i g u r e n
1.Deus, qui nos, per huius sacrificii veneranda commercia,
unius summæque divinitatis participes effecisti,
2.præsta, quæsumus,
3a. ut, 3b. sicut tuam cognovimus veritatem,
3a. sic eam dignis moribus assequamur.

Het Gebed over de gaven bestaat uit één enkele zin, samengesteld uit een openingszin, waarin God aan de spits van de oratie wordt aangesproken, gevolgd door een relatieve bijzin waarin een Hem kenmerkende bijzondere genade (heilsdaad) wordt vermeld (regel 1). Daarop volgt een opwekking, aansporing in de imperativusvorm, præsta, verleen, geef, schenk – afgezwakt door quæsumus, zoals in vele oraties het geval is, bijvoorbeeld in het Gebed over de gaven van de vierde zondag van Pasen. Tenslotte volgt de inhoudelijke bede in een finale/doelaanwijzende of consecutieve/gevolghebbende bijzin (r. 3a), ingeleid door het voegwoord ut [ut…sic…assequamur] met het prædicaat assequamur in de coniunctivusvorm vanwege het wenskarakter uitgedrukt in ut. Deze bijzin wordt onderbroken door de ondergeschikte (sub) bijzin (r. 3b) sicut …veritatem, een comparatieve (vergelijkende) bijzin in de indicativus  omdat hier sprake is van een feitelijkheid. 

Ad 1
Deus, God, - anaklese in de vocativusvorm;
qui effecisti, die hebt gemaakt -  prædicaat, 2e pers. perfecti activi van efficere, effeci, effectum met betekenissen als 1.voortbrengen 2. veroorzaken, bewerken 3. maken.
Qui, die – reflexivum, met Deus als antecedent, dat de relatieve bijzin inleidt. Het prædicaat, in de indicativus, heeft een dubbel object bij zich in de accusativusvormen meervoud nos en participes (van particeps, participis): die ons hebt gemaakt tot deelgenoten van.
Met deze accusativusvormen is de bijvoeglijke bepaling unius summæque divinitatis verbonden, een woordgroep van drie congruerende genitivusvormen: genitivus partitivus.
Per huius sacrificii veneranda commercia, door de vererenswaardige uitwisseling(en) van dit
Offer: voorzetselbepaling samengesteld uit de præpositie per + twee congruerende accusativusvormen die nader worden bepaald door de ingesloten congruerende genitivusvormen: huius sacrificii. Veneranda is een bijvoeglijk gebruikte vorm (accus. meerv. onzijdig) van de gerundivumvorm venerandus, -, -um, van het deponens venerari.

In deze relatieve bijzin wordt gewag gemaakt van de bijzondere genade, door God ons verleend, waardoor wij deelachtig worden aan het ene en hoogverheven goddelijke leven.
De H. Eucharistie is “de oorsprong en hoogtepunt van heel het christelijke leven” (fons et culmen). In dit Sacrament, in élk H. Misoffer, ligt heel het geestelijk goed van de Kerk vervat, namelijk Christus Zelf, ons Paaslam (CKK 1324). Christus kan alleen tot ons komen door zijn Mystiek Lichaam, de Kerk. Dit heeft Hij bewerkt door het schuldloze Offer van Zijn leven in ruil (commercia) voor onze zonden. Christus heeft de schuldbrief van de oude zonde uitgewist met het bloed van Zijn Hart. “Dit is het paasfeest, waarop het ware Lam wordt geslacht, Zijn bloed heiligt de deuren van hen die geloven” (vgl. Paasjubelzang Exsultet).
(Opmerking: de uitdrukking ‘de deuren’ verwijst naar de laatste plaag voorafgaand aan de Uittocht uit Egypte: de deurposten van de Joden moesten gemerkt worden met het bloed van het Paaslam dat was geslacht en genuttigd. Dit teken had tot gevolg dat de Engel des doods deze deuren voorbijging en de eerstgeborenen spaarde (vgl. Ex 18, 5-19).

Ad 2
præsta, quæsumus: zoals boven reeds besproken

Ad 3a-3b
De finale/doelaanwijzende resp. consecutieve/gevolgaanduidende bijzin, ingeleid door het voegwoord ut met het prædicaat assequamur in de coniunctivusvorm vanwege het wens-, gebedskarakter, (r. 3a) wordt onderbroken door een vergelijkende sub-bijzin (r. 3b) met het gezegde cognovimus in de indicativusvorm van het perfectum op grond van een ervaren feitelijkheid. Cognovimus heeft als object de congruerende accusativusvormen tuam […] veritatem bij zich, die door uiteen plaatsing een hyperbaton vormen.
3a. ut, [3b. sicut tuam cognovimus veritatem], 3a. sic eam dignis moribus assequamur: Opdat/zodat wij, zoals wij Uw waarheid hebben leren kennen, haar (deze) zó ook door een waardige levenswandel mogen verkrijgen.
Dignis moribus, door waardige zeden, door waardig te leven, - bijwoordelijke bepaling in twee congruerende ablativusvormen die het middel waardoor, de weg waarlangs, de wijze waarop, aanduiden (ablativus instrumentalis of modi) om die waarheid te verkrijgen.

Wanneer in de H. Eucharistie het Verbond van God met de mensen wordt vernieuwd, lokt en ontvlamt dit de gelovigen tot een vurige wederliefde tot Christus. Christus is de eerste oorzaak (vgl. Sacrosanctum Concilium, Constitutie over de H. Liturgie, 10). “Christus, ons Paaslam is geslacht, laten wij dan feestvieren met het zuivere Brood van reinheid en waarheid” (1 Kor 5, 7-8).
Christus leert ons in het Evangelie uit hoe wij moeten leven: “'Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand. Dit is het voornaam­ste en eerste gebod. Het tweede, daarmee gelijkwaar­dig: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf. Aan deze twee geboden hangt heel de Wet en de Profeten” (Mt. 22, 37-40)

K l e i n  v o c a b u l a r i u m
Mos, moris, m. – 1. gewoonte, zede, gebruik: ex more, naar gewoonte 2. wil, eigen wil, eigen zin 3. regel, voorschrift, wet 4. plural.: mores, morum, (goede) zeden, karakter, levenswandel. Het begrip komt voor in verbinding met boni mores, goede gewoonten / zeden;  digni mores, waardige zeden (d.i. zeden de Naam van christen waardig); angelicis…da moribus vivere (postcommunio 21 juni, MR 1962), geef ons, schenk ons te leven als de Engelen (na te zijn gevoed met het Brood der Engelen, de H. Eucharistie). Vgl. in het Nederlands spraakgebruik de uitdrukking: “iemand mores leren”, iemand leren hoe hij zich moet gedragen, met name binnen een bepaalde beroepsgroep zoals artsen of binnen de advocatuur. Omdat dit meestal naar aanleiding van een misdraging geschiedde, werd de betekenis gaandeweg: 'iemand scherp terechtwijzen, straffen, ervan langs geven'. Bij studentencorpora gebruikt men mores nog steeds voor 'de regels'.
Van de Romeinse orator en politicus Cicero (106-43 v.Chr.) stamt de uitdrukking: 'O tempora, o mores!' te vertalen met ‘In wat voor tijden leven we toch, met wat voor gewoonten!' ter aanduiding van het morele verval in het Romeinse Rijk te typeren. 'O tempora, o mores!' wordt in veel gevallen ironisch gebruikt: 'Waar moet het heen met de wereld?'
Assequamur, 1e pers. meervoud van de coniunctivusvorm præsentis van het deponens assequi, assecutus sum met betekenissen 1. bereiken 2. verkrijgen, verwerven 3. aankleven, volgen

G e t u i g e n i s  v a n  d e  V a d e r s
H. Cyrillus van Jeruzalem in zijn Catecheses Mystagogicæ, 22 :
“Laten wij daarom Zijn Lichaam en Bloed met volle overtuiging als Lichaam en Bloed van Christus tot ons nemen. Want onder het teken van brood wordt U Zijn Lichaam, onder het teken van wijn  Zijn Bloed geschonken opdat u door het nuttigen van het Lichaam en Bloed van Christus één van lichaam en één van bloed met Hem wordt. Insgelijks worden wij zo Christusdragers, als Zijn Lichaam en Zijn Bloed over onze ledematen verspreid worden. Op die manier worden wij volgende de heilige Petrus deelgenoten aan de goddelijke natuur”.      

Hilarius van Poitiers in De Trinitate Lib. 8, 13-16:
“Hoezeer wij in Hem zijn door het Sacrament, waarin Hij ons Zijn Vlees en Bloed meedeelt, getuigt Hij zelf, als Hij zegt: En deze wereld ziet Mij niet meer; gij echter zult Mij want Ik leef en ook gij zult leven; want Ik ben in Mijn Vader en gij zijt in Mij en Ik in u. Als Hij alleen maar een eenheid van gezindheid had bedoeld, waarom sprak Hij dan van een zekere trap en orde bij de vervulling van die eenheid, als het niet was dat wij zouden geloven, dat: zoals Hij door de natuur van Zijn Godheid in de Vader is, wij daarentegen in Hem zouden zijn door Zijn lichamelijke geboorte, en Hij weer in ons door het geheim van Zijn sacramenten; en zo zou de volmaakte eenheid door de Middellaar worden onderwezen.  Terwijl wij in Hem blijven, verblijft Hij in de Vader en terwijl Hij in de Vader blijft, verblijft Hij in ons.  En zo gaan wij voort naar de vereniging met de Vader, want Hij, die door Zijn geboorte van nature in de Vader is, laat ook ons van nature in de Vader zijn, omdat Christus van nature in ons blijft. En hoe natuurlijke die eenheid in ons is, heeft Hij zelf getuigd: Wie Mijn Vlees eet en Mijn Bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. Want niemand zal in Hem zijn, als Hijzelf al niet in hem aanwezig was, alleen diens vlees zal Hij in zich opgenomen houden, die het zijne genuttigd heeft”.              

H. Leo de Grote, paus, in Sermo 63, 7:
“Niets anders immers werkt de deelname aan het Lichaam en Bloed van Christus uit, dan dat wij veranderd worden in datgene, wat wij nuttigen; en dat wij Hem, in Wie wij medegestorven, medebegraven en medeverrezen zijn, in alle opzichten in onze geest en in ons vlees dragen, volgens het woord van de apostel: “Gij zijt immers gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God. Maar wanneer Christus, uw leven, verschijnen zal in de heerlijkheid , dan zult gij ook verschijnen in de heerlijkheid te samen met hem” (Kol 3, 3 ev.), die met de Vader en de Heilige Geest leeft en heerst in de eeuwen der eeuwen”.         
         
C o m m e n t a a r
Over het gebruik van de term “commercium” in liturgische en andere teksten is door de eeuwen heen veel gespiegeld en geschreven. Op dit weblog gebeurde dit ondermeer in het commentaar bij de Oratio super munera van Eerste Kerstdag. In die oratie prijken dan de woorden “per haec sacrosancta commercia” – die wij in de werkvertaling toen hebben vertaald met “door deze hoogheilige uitwisseling”. Deze zondag betreft het de passage: “per huius sacrificii veneranda commercia” in werkvertaling: “door de vererenswaardige ruil van dit offer”.
De uitdrukking “commercium” gaat terug op de ruilhandel, de uitwisseling van goederen tussen mensen. “Do ut des”- “ik geef opdat jij geeft”: Een koe voor twee schapen. Commercium kan ook duiden op correspondentie “epistolarum commercium”. De moderne mens schrijft niet meer zo vaak brieven. Dat is jammer want op die manier kan in het intellectuele vlak een rustige, over en weer begripsvolle en bezonnen uitwisseling (een “commercium” in het intellectuele vlak) van gedachten plaats vinden die niet zelden redelijke mensen voert tot een beter begrip van elkaar en zelfs tot een kwalitatief beter gemeenschappelijk standpunt dan dat zij voor die tijd hadden.
Ook zuiver geestelijke goederen kunnen worden uitgewisseld en ook tekens van liefde tussen de mensen onderling die niet zoals handelsgoederen “pretio æstimabilia” – op hun geldwaarde te schatten zijn, denk aan de uitwisseling van trouwringen die voor meer staan dan over en weer gegeven ronde gouden voorwerpjes.

In “sacrosanctum c.q. veneramdum commercium” – de hoogheilige uitwisseling- gaat het niet om zakelijke ruilhandel of intellectuele uitwisseling, en zelfs niet alleen een zuiver theologische duiding. Wanneer de liturgie spreekt van een heilige uitwisseling, is dat bedoeld als een lofprijzing op de goedheid van God, op zijn edelmoedigheid, die een dergelijke uitwisseling mogelijk maakt. Het fundament is dat God de Gever van al het goede is. Hij is het die de mensen het eerst heeft liefgehad en het eerst zijn barmhartigheid heeft geschonken. En God schenkt zó, dat degenen aan wie wordt geschonken deze gaven ook werkelijk bezitten en er als eigenaar over kunnen beschikken. Om die reden is het dan ook een reëel schenken en – tegenover God – een werkelijk offeren. Deze toedracht is de grondslag van elke uitwisseling, en het komt uit Zijn unieke liefde voort dat Hij het aldus heeft geschikt.